Oorlog herdenken is oorlog voorkomen

Categorieën
Research

De vaartijd in oorlogstijd van scheldeloods Gerard de Hondt

Wanneer het in het begin van de oorlog duidelijk wordt dat Gerard voorlopig niet terug zal keren naar Vlissingen gaat Tine, dan 24 jaar, weer bij haar ouders wonen aan de Vrijdomweg 6 in Vlissingen zodat zij niet als alleenstaande vrouw verplicht geëvacueerd hoeft te worden bij haar familie vandaan. Haar meubels worden ergens in Vlissingen opgeslagen om pas zeven jaar later weer tevoorschijn te komen wanneer Tine en Gerard eindelijk weer eigen woonruimte hebben in de Scheldestraat 45 te Vlissingen.

In het begin van de oorlog ontvangt Tine nog een gedeelte van het salaris van Gerard. Zij koopt een spinnenwiel, gaat op Walcheren met de fiets de boer op om schapenvachten te kopen en verdient met het verkopen van de door haar gesponnen wol.

Vanaf oktober 1941 mogen de rederijen, dus ook de KNSM bij welke scheepvaartmaatschappij Gerard inmiddels stuurman is, van de Duitse bezetter geen gages meer betalen aan de echtgenoten en families van de zeevarenden die naar bezet gebied weigeren terug te keren. Een spontaan opgezet illegaal ondersteuningsfonds onder de schuilnaam ’Zeemanspot’ wordt opgericht. Of Tine ooit een beroep gedaan heeft op de zogeheten ’Zeemanspot’ is niet bekend.

Lees verder in de PDF hieronder.

Categorieën
Research

10801FN40 – Alexandre Lofi

Alexandre Lofi werd geboren op 21 februari 1917 in Dudweiler, gelegen in het destijds Duitse Saarland, waar zijn vader alsmijnwerker werkte. Na de Franse overwinning in 1918 keerde het gezin terug naar hun oorspronkelijke thuisbasis in L’Hôpital in het departement Moselle, dat weer Frans grondgebied was geworden. Hier bracht Alexandre Lofi zijn jeugd door en volgde hijbasisonderwijs.

Al op jonge leeftijd koos hij voor een leven op zee. In 1930, op 13-jarige leeftijd, trad hij toe tot de École des Pupilles de la Marine in Brest.

Op 1 april 1933 nam hij officieel dienst bij de Franse marine. Na verschillende inschepingen werd hij ingedeeld bij de fusiliers marins (mariniers). Hij klom gestaag op, in oktober 1935 werd hij Quartier-maître fusilier (kwartiermeester).

Toen Frankrijk in juni 1940 capituleerde weigerde Alexandre Lofi, inmiddels second-maître (onderofficier), militair instructeur en sportinstructeur aan de Marineschool in Brest, de wapenstilstand te accepteren. Hij wist naar Engeland te ontkomen en sloot zich op27 juni 1940 in de Olympia Hall in Londen aan bij de Vrije Franse Strijdkrachten (FFL, Forces Françaises Libres) van generaalCharles de Gaulle waar hij Philippe Kieffer ontmoette. Hij werd ingedeeld bij het 1e Bataillon de Fusiliers Marins (1e BFM). Met zijn eenheid vertrok hij in oktober 1940 naar Kameroen. Hier speelde hij een jaar lang een belangrijke rol in de kustverdediging van dit Afrikaanse gebied, dat zich bij de Vrije Fransen had aangesloten. Hij werd gepromoveerd tot officier des équipages en nam van november 1941 tot december 1942 deel met het pas opgerichte 2e BFM ter verdediging van de kusten van Libanon.

In juni 1943 meldde Alexandre Lofi zich als vrijwilliger voor het 1e Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), onder leiding van commandant Philippe Kieffer. Hij reisde terug naar Groot-Brittannië en trainde in de zware commandoopleidingskampen in Schotland. Het volledige Franse commandobataljon werd als “Troop 1” en “Troop 8” toegevoegd aan het Britse No. 10 (Inter-Allied) Commando, een geallieerde eenheid waarin buitenlandse vrijwilligers zaten die de talen van de geallieerde landen spraken

Op 6 juni 1944 (D-Day) landde Alexandre Lofi, aan het hoofd van Troop 8, ‘s ochtends vroeg op Sword Beach in Normandië, samen met No.4 commando. Zijn eenheid had als specifieke doelwit het zwaar verdedigde casino van Ouistreham, dat door de Duitsers was omgebouwd tot een bunkercomplex.

Onder leiding van Lofi werd het doelwit met succes ingenomen en werden veel vijandelijke soldaten krijgsgevangen gemaakt. Toen commandant Kieffer tijdens de gevechten gewond raakte, nam Alexandre Lofi met buitengewone koelbloedigheid het commando over het hele Franse bataljon op zich. Hij leidde zijn mannen in de cruciale weken na de landing, waaronder bij dezware verdediging van de Pegasusbrug over de rivier de Orne. Tijdens een nachtelijke aanval op een sterk verdedigde Duitsemortierstelling in de sector L’Épine op 20 augustus 1944, raakte Alexandre Lofi gewond door granaatscherven.

Na zijn herstel speelde Alexandre Lofi opnieuw een sleutelrol. Op 1 november 1944 nam hij als bevelvoerder van de Franse troop 5, inmiddels geïntegreerd in No. 4 commando, deel aan de amfibische landing bij Vlissingen, als onderdeel van Operatie Infatuate.De L.C.A. waar Alexandre Lofi in zat, samen met no.1 sectie, werd geraakt door flak granaten en machinegeweerkogels, de motor viel uit en het vaartuig botste tegen een pier. Na de landing zonk het landingsvaartuig.

Troop 5 trok de stad in, via de Oranjestraat, langs de Gravestraat richting de Sint Jacobskerk en vervolgens via het Bellamypark naar de barakken achter de gevangentoren, in de volksmond “de bomvrije” geheten. Er waren felle straatgevechten, huis tot huis, en er werden Duitse troepen gevangen genomen. Troop 5 splitste zich op de grote markt op om de barakken aan te vallen. No. 2 sectienaar de noordkant, Alexandre Lofi ging samen met no. 1 sectie naar de zuidkant.

Om 08:00 kreeg Troop 5 echter andere orders. 4 KOSB ging de barakken aanvallen, troop 5 moest door naar de bunker bovenaan de Coosje Buskenstraat, codenaam Dover.

No. 1 sectie ging via de Noordstraat en nam stelling in een huis op de hoek van Coosje Buskenstraat waar ze onder vuur kwamenvan een flak-vierling en machinegeweren bij de bunker op de Boulevard. No. 2 sectie ging via de Molenstraat en kwam bij de Paardenmarkt waar ze onder vuur kwamen te liggen van machinegeweren en sluipschutters. Om 12:30 kregen ze orders om terug tetrekken en hun posities te houden, de bunker zou bestookt worden door artillerie.

De volgende ochtend werd de aanval op de bunker hervat. Vanaf het dak van de bioskoop Alhambra werd met een PIAT (draagbaar anti-tankwapen) geprobeerd de Duitsers tot overgave te dwingen.

Beide secties, een aan elke kant van de Coosje Buskenstraat, baanden zich een weg door de huizen wat “mouseholing” werd genoemd. De bunker werd gebombardeerd door Typhoon vliegtuigen en bestookt met PIAT granaten. Aangekomen bij de anti-tankmuur bij de Boulevard werd besloten om de ingang van de bunker met een explosief te vernietigen, hiervoor zou een vrijwilliger voor de bunker langs moeten rennen om het explosief voor de ingang te gooien. Voordat dit plan zou worden uitgevoerd verscheen er echter een witte vlag. 3 officieren en 54 manschappen werden gevangen genomen.

Alexandre Lofi vocht de rest van de Nederlandse campagne uit en eindigde de oorlog in mei 1945 met de rang van Officier des Équipages de 1ère Classe.

Alexandre Lofi besloot na de oorlog in de marine te blijven en had een opmerkelijke naoorlogse carrière. Hij vervulde onder andere de volgende functies:

  • Directeur van de marinecommando-opleiding in Algiers
  • Directeur van het centrum voor fysieke educatie van de marine (1948-1952)
  • Hoofd van het Hoofdkwartier van de Maritieme Prefectuur in Toulon.
  • In 1960 werd hij technisch adviseur en sportofficier bij de chef van de marinestaf in Parijs.

Hij ging uiteindelijk in 1970 met pensioen als Officier en Chef des Équipages (een rang vergelijkbaar met kapitein-luitenant terzee/commandant). Alexandre Lofi overleed op 75-jarige leeftijd op 7 maart 1992 in Cuers, departement Var, waar hij ook begraven ligt. In L’Hôpital is een plein naar hem vernoemd, waar tevens een monument ter nagedachtenis aan hem is opgericht. In 2024 is een monument geplaatst in Ouistreham. Voor zijn immense moed en leiderschap ontving Alexandre Lofi enkele van de hoogste militaire onderscheidingen uit zowel Frankrijk als het Verenigd Koninkrijk:

  • Compagnon de la Libération (de hoogste en zeldzaamste onderscheiding die Frankrijk kent, persoonlijk door De Gaulle uitgereikt op 17 november 1945)
  • Officier de la Légion d’Honneur (Legioen van Eer)
  • Commandeur de l’Ordre National du Mérite
  • Croix de Guerre 1939-1945 (met 3 palmen/vermeldingen)
  • Military Cross (Verenigd Koninkrijk)
  • Médaille d’Or de l’Éducation Physique
Categorieën
Research

13807764 – Private Pierre Laux

British Army, Devonshire Regiment, 4 Commando, 3 Troop

Pierre Laux werd op 16 juni 1918 geboren in de gemeente Kayl, in het zuiden van Luxemburg. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en Luxemburg in mei 1940 door nazi-Duitsland werd binnengevallen, ontvluchte hij zijn vaderland en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen in Marokko.

In 1942 wist Pierre Laux zijn weg te vinden naar Londen. Hij ging in dienst bij het Britse leger en kreeg het servicenummer 13807764. Hij werd in eerste instantie ingedeeld bij het Devonshire Regiment, maar meldde zich al snel aan als vrijwilliger bij de elitetroepen: de British Commandos. Hij werd ingedeeld bij het befaamde No. 4 Commando. 

Tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië trouwde hij met Hilda Laux, afkomstig uit Astley Bridge, een wijk in Bolton, Lancashire.

Pierre Laux behoorde tot de troepen die geschiedenis schreven op D-Day.

Op 6 juni 1944 landde hij met No. 4 Commando op Sword Beach in Normandië. De commando eenheid stond destijds onder bevel van de legendarische Lord Lovat en vocht samen met de Franse commando’s van Kieffer. Pierre Laux vocht mee in de zware strijd om de kuststad Ouistreham te bevrijden en overleefde de daaropvolgende, meedogenloze Slag om Normandië. 4 Commando keerde op 7 September terug naar Engeland.

Na 3 weken herstel en versterken vertrok 4 Commando naar Oostende en vervolgens naar het 8 dagen eerder bevrijde De Haan om mee te gaan doen met Operation Infatuate. Eerst moest Breskens bevrijd en gezuiverd worden, pas dan kon de aanval op Walcheren beginnen. Op 22 oktober was Breskens in geallieerde handen. Bij de dagelijkse oefeningen werden de commando’s vertrouwd gemaakt met de plattegrond van Vlissingen, die is opgedeeld in kleine sectoren, welke Engelse namen dragen zoals Dover, Bexhill, Eastbourne, Seaford, Brighton.

De voorbereidingen verliepen zo snel dat de commandant van het 4e Commando aan Pierre Laux en twee andere Luxemburgse commando’s, Jean en Antoine Neven, op 28 oktober een jeep en een Engelse chauffeur ter beschikking stelde en hun drie dagen verlof gaf zodat ze even naar huis konden.

Op 31 oktober verplaatste 4 Commando zich naar Breskens. De volgende nacht om 2 uur werden ze gewekt en om half 5 vertrokken de eerste landingsvaartuigen onder geallieerd spervuur richting Vlissingen. In de vroege ochtend van 1 november 1944 landde No. 4 Commando in de slijkhaven van Vlissingen.  Pierre Laux zat in de derde landingsgolf en kwam aan om 06:30 onder hevig vuur van machinegeweren van FALMOUTH en 20mm kanonnen van BRIGHTON. 3 Troop (waar Laux deel van uitmaakte) was als eerste van het bruggenhoofd af en kreeg de taak om zo snel mogelijk op te rukken naar hun eerste doelwit, BRAEMAR (het Bellamypark).

De afstand tussen de landingsplaats en BRAEMAR werd snel  afgelegd, via de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat omdat een Duitse pillbox met machinegeweer bij het Bellamypark de Nieuwendijk onder vuur nam. Het Bellamypark werd bereikt bij het eerste licht, 07:00 uur. Gunner Bill Harvey werd dodelijk getroffen toen hij vanuit de Nieuwstraat het Bellamypark wilde oversteken. Verder oprukken werd sterk belemmerd door Duitse stellingen op het Keizersbolwerk en pillboxen in de omgeving van het Bellamypark. Verschillende pillboxen en machinegeweerstellingen werden omzeild met uitzondering van één pillbox in de buurt van BRAEMAR.

Een aanvalsgroep van C-subsectie onder leiding van Sergeant Jackson werd losgemaakt van 3 Troop om dit mitrailleursnest uit te schakelen. Tijdens deze gevaarlijke frontale aanval op de bunker werd Private Pierre Laux bij de ingang van de stelling dodelijk getroffen.

Pierre Laux stierf als een van de vele helden tijdens de Slag om de Schelde. Hij was op dat moment 26 jaar oud. Vandaag de dag rust hij op het Bergen op Zoom War Cemetery, te midden van zijn strijdmakkers die eveneens hun leven gaven voor de bevrijding van Vlissingen.

Zijn naam is aangebracht op de Roll of Honour aan de muur van de Oranjedijk.

“Each name is a cry for peace” , Elke naam is een schreeuw om vrede.

Categorieën
Research

5831129 – Maurice White

Maurice White, geboren op 27 december 1919, trad in dienst op 15 april 1940 op 20-jarige leeftijd. Hij werd op 28 juli 1941 opgeroepen voor het Suffolk Regiment,  een regulier infanterieregiment van het Britse leger. Net als veel andere jonge mannen in die tijd koos hij er echter voor om zich vrijwillig te melden voor “gevaarlijke diensten”, de commando’s. Dit was geen lichte beslissing; het betekende dat hij zijn vertrouwde eenheid moest verlaten voor de zwaarste training die het Britse leger kende in het beruchte Commando Basic Training Centre in Achnacarry, in de Schotse Hooglanden. 

Onder het bevel van luitenant-kolonel Charles Vaughan werd hij daar tot het uiterste gedreven met speedmarsen, man tot man gevechten, rotsklimmen en amfibische landingen. Na het succesvol afronden van de training verdiende hij het recht om de felbegeerde groene baret te dragen en werd hij ingedeeld bij No. 4 Commando, D-troop.

In de vroege uren van 6 juni 1944, D-day, was White onderdeel van de 1st Special Service Brigade (onder bevel van de beroemde Lord Lovat). No. 4 Commando, onder leiding van luitenant-kolonel Robert Dawson, had een specifieke en levensgevaarlijke missie. No.4 commando landde op Sword Beach , sector “Queen Red”, dicht bij Ouistreham. 

Maurice White was de tweede man in zijn LCA maar de eerste die het strand bereikte. Toen de klep van het landingsvaartuig opende werd zijn vriend die voor hem stond gedood en viel met zijn gezicht naar beneden in het water. Maurice stopte om hem om te draaien voor het geval hij nog ademde, een daad waarvoor hij voor de krijgsraad had kunnen worden gebracht wegens plichtsverzuim. 

Hij hielp mee met  het uitschakelen van de Duitse kustbatterijen en de zwaar verdedigde bunker die was gebouwd op de plek van het voormalige casino in Ouistreham. Na het veiligstellen van Ouistreham trokken White en zijn kameraden landinwaarts. Hun doel was om verbinding te maken met de 6th Airborne Division bij de bruggen over de Orne en het kanaal van Caen (Pegasus Bridge).

Maurice zat op een gegeven moment gevangen achter vijandelijke linies en moest via Nederland een weg terug naar Engeland vinden, onderweg verborgen gehouden door Nederlandse families.

Na 82 dagen in Normandië werd No. 4 Commando teruggetrokken naar Engeland om te herstellen en zich voor te bereiden op een volgende, vitale operatie, Infatuate I. Maurice White was inmiddels naar Engeland gesmokkeld en voegde zich weer bij No.4 commando. 

Op de vroege ochtend van 1 november 1944 voerde No. 4 Commando een amfibische frontale aanval uit op Vlissingen.  De commando’s landden onder dekking van de duisternis en artillerievuur (vanaf Breskens) op Uncle Beach. 2 Troop, waartoe White behoorde, was een van de eersten die de modderige, gladde glooiing op klom. Zijn troop was verantwoordelijk voor het zuiveren van sector “Falmouth”, het gebied rechts van Uncle beach tot aan de sluizen. 

Zonder de succesvolle aanval op Vlissingen door mannen als White, had de haven van Antwerpen niet bevoorraad kunnen worden en was de geallieerde opmars naar Duitsland in de winter van 1944-1945 ernstig vertraagd.

Maurice White overleed hij op 28 mei 2007. Hij werd begraven op 6 juni 2007, D-Day…

Categorieën
Research

 304038 – Lieutenant Adrian Alan Oliphant Kidston 

Adrian Alan Oliphant Kidston werd geboren in 1923 in Edinburgh. Schotland. Hij was de zoon van Brevet Colonel Robert Alexander Patrick Richard Kidston en Penelope Paul Kidston. Zijn vader was afkomstig uit een bekende zakenfamilie, werkte als aandelenhandelaar in Glasgow en was zelf ook militair commandant (onder andere van het 131st Field Regiment Royal Artillery). 

Adrian genoot zijn opleiding aan het prestigieuze Fettes College in Edinburgh. Hij blonk daar niet alleen academisch uit, maar was ook een getalenteerde en veelzijdige student. Hij werd uiteindelijk benoemd tot “Head of House” en “Head of School”. Buiten de lessen was hij een zeer gewaardeerde speler in het rugbyteam, speelde hij cello en bezocht hij in zijn vrije tijd graag het theater. 

In de herfst van 1942 begon Adrian de Officer Cadet Training aan de Queen’s University, Belfast en ging trainen in Catterick Garrison in North Yorkshire. Na zijn opleiding sloot hij zich aan bij het nieuw gevormde 1st Mountain Regiment omdat hij het altijd leuk had gevonden om in de “Arrochar Alps” in Schotland te klimmen. Hij werd ingedeeld bij het 452 Mountain Battery, 1st Mountain Regiment, 52nd Lowland Division, als Lieutenant met legernummer 304038. Het regiment was onderdeel van de Royal Artillery. 

Begin 1944 ging het regiment naar Peterculter in de buurt van Aberdeen om te oefenen voor oorlogsvoering in bergachtig en besneeuwd gebied. Ze waren uitgerust met 3.7-inch houwitsers, speciaal ontworpen om in losse onderdelen op de ruggen van muilezels gedragen te worden. Omdat ze te weinig muilezels hadden gebruikten ze in plaats daarvan ezels. De soldaten leerden paard- en muilezelrijden en voegden vol trots de aanduiding “Mountain” toe aan de schouderemblemen op hun uniformen. 

In de zomer van 1944 veranderde hun missie drastisch. Het regiment moest de (muil)ezels inruilen voor jeeps om als luchtlandingseenheid te gaan fungeren en ze verplaatsten zich naar het zuiden van Engeland. Aanvankelijk stonden ze stand-by voor een rol tijdens de luchtlandingen bij Arnhem maar dat ging uiteindelijk niet door. 

Half oktober werd in allerijl het Engelse kanaal overgestoken, ze kregen een sleutelrol bij Operatie Infatuate, de geallieerde aanval op Walcheren op 1 november 1944. De 452 Mountain Battery kreeg de zware taak om nabije vuursteun (close support) te verlenen aan de 155 Brigade en het No. 4 Commando bij de verovering van de havenstad Vlissingen. 

Op de vroege en mistige ochtend van 1 november scheepte de 452 mountain battery in vanuit de haven van Breskens. De inscheping in de tien landingsvaartuigen was zwaar en gevaarlijk. In het pikkedonker moesten de zware kanonnen via krakkemikkige, zelfgemaakte ladders vanaf een smalle steiger in de landingsvaartuigen worden neergelaten. 

De Battery Commander, major John Fairclough, en second-in-command captain Vincent Cohen hadden ondertussen al met een met een kleine verkenningspartij Vlissingen bereikt. Hun berichten over sterke Duitse tegenstand vertraagde het vertrek van de 452 Battery tot na zonsopgang. 

Al vanaf het begin van de circa 5 kilometer lange oversteek over de Westerschelde van de eerste vijf LCA’s kwamen ze onder zwaar vuur te liggen van een Duitse kustbatterij. Tijdens de landing om 11:15 werden ze tevens bestookt met machinegeweervuur, ondanks het rookgordijn bij Uncle Beach wat ze uit het zicht van de Duitsers had moeten houden. Vlak voor de aankomst op Uncle Beach 

kreeg het landingsvaartuig waar Lieutenant Kidston in zat een voltreffer in de motor. Kort daarna volgde een tweede fatale voltreffer, waarschijnlijk van een 8.8 FLAK granaat, waardoor het vaartuig in brand vloog en zonk. 

Lieutenant Adrian Alan Oliphant Kidston sneuvelde hierbij op slechts 21-jarige leeftijd. Samen met hem kwam onder meer Lance Bombardier William Mountjoy om het leven, terwijl een andere kanonnier, John Banborough, dodelijk werd geraakt door machinegeweervuur toen hij uit het brandende landingsvaartuig in het water probeerde te duiken. Sergeant Rogers, gewond in zijn dij, zwom naar de gewonde en uit het landingsvaartuig geslingerde gunner Oates toe om hem te redden. Rogers weigerde aan boord te gaan van een te hulp geschoten terugkerend landingsvaartuig totdat alle andere overlevenden waren opgepikt. 

In eerste instantie werd Adrian Kidston geregistreerd als vermist (Missing Presumed Killed), maar al snel werd zijn dood in de strijd om de bevrijding van Vlissingen officieel vastgesteld. 

Lieutenant Adrian Alan Oliphant Kidston staat vermeld op het familiegraf in het Hermitage Park in Helensburgh , Schotland. Hij word herinnerd op het Groesbeek Memorial bij Nijmegen, zijn naam staat daar vermeld op paneel 1. 

… AAN WIE HET FORTUIN VAN DE OORLOG EEN BEKEND EN EERVOL GRAF WERD GEWEIGERD… 

Adrian wordt ook herdacht op het herdenkingsmonument/Roll of Honour “Uncle Beach”, Oranjedijk, Vlissingen. https://oorlogsjarenvlissingen.nl/herdenkingen-monumenten/ 

Categorieën
Research

Onze bevrijders gezien door het oog van Guy Vourc’h 

Een van mijn “bezigheden” is het restaureren/verbeteren van oude foto’s van uiteenlopende onderwerpen, dat doe ik al jaren; van handmatig op de PC tot en met het gebruik van AI voor het inkleuren van historische foto’s. 

Het begon serieus te worden toen ik het familiefotoarchief van mijn moeder ging digitaliseren, een paar schoenendozen vol…. Voor een van mijn zoons heb ik, als verjaardagscadeau, een lijvig boekwerk gemaakt over de 82nd Airborne divisie in de tweede Wereldoorlog, met vele foto’s. 

Facebook is een bron van kennis en daar ben ik ook actief in diverse groepen die met oude foto’s te maken hebben. Daar kwam ik begin 2026 een bericht tegen van Stichting Oorlogsjaren Vlissingen; een ingekleurde foto van Franse commando’s waar heel wat commentaar op was. 

Mijn interesse was gewekt, niet alleen omdat ik weinig wist van Vlissingen in de oorlogsjaren maar ook waarom de foto geplaatst was. Daar zag ik het belang van in. Zodoende lever ik wel eens een bijdrage, gerestaureerde foto’s (al dan niet ingekleurd) met een bijbehorend verhaal, hier komt ook weer het onderzoeksaspect naar boven. 

Deze reeks foto’s van de Franse commando Guy Vourc’h is ook zo’n bijdrage. Herinneren, herdenken en vooral niet vergeten wat zij voor ons gedaan hebben. Het zijn dan ook bijzondere, gerestaureerde historische foto’s. De Zeeuwse Bibliotheek heeft toestemming verleend voor plaatsing van de foto’s, die in hun Beeldbank staan en de restauratie met als bronvermelding Vourch, G., Collectie Foto’s, ZB Beeldbank Zeeland. Een deel van de foto’s staan ook op de Beeldbank van het Zeeuws Archief. Een paar foto’s zijn afkomstig uit het Publiek domein (onbekend). 

Van de restaurateur historische foto’s WOll, Danny Corstens.

Lees het hele artikel in de PDF hier beneden.

wie en waar
1Duitse krijgsgevangenen onder begeleiding van Franse commando’s van No4 Commando eenheid onder aan Oranjedijk, Marinestraat.
2Duitse krijgsgevangenen onder bewaking van Franse commando’s in de Oranjestraat.
3Gevangengenomen Korvettenkapitän Otto Würdemann, de Hafencommandant Vlissingen.
4Op de Duitse troepen veroverde vlammenwerper.
5Duitse krijgsgevangenen aan het werk nabij het Arsenaal.
6Commando Yves Vourc’h broer van Guy, de fotograaf.
7Franse commando’s van de no. 4 commando bij landingsplaats Uncle Beach achter Oranjemolen; v.l.n.r. André Foliot , Guy de Montlaur, Guy Hattu en Jacques Senée.
8Lt. Guy de Montlaur met deel 6 Troop voor de Oranjemolen.
9Gravestraat & Kalkhokstraat_Fransen no. 4 commando, vlnr. ltn de Montlaur, ltn. Hattu, Cdt. Kieffer, ltn. Senée.
10Hoek Paardenstraat, Wijnbergsekade.
11Roger Caron, Joseph Madec en Albert Meunier bij de Oranjemolen.
12LCA en LVT blijven versterkingen en munitie ontschepen, 3-11-1944.
13landingsplaats Uncle Beach achter Oranjemolen.
14gezonken landingsboten bij Uncle Beach achter Oranjemolen.
15Na bevrijding, omgeving landingplaats Uncle Beach achter Oranjemolen.
16LCA van kapitein Rewcastle die aan de andere kant van de steiger terecht kwam waar de rest van de commando’s landden. Op de dijk bunker en houten uitkijktoren zichtbaar.
17Paalhoofd voorzien van explosieven bij Uncle Beach.
18landingplaats Uncle Beach bij slijkhaven achter Oranjemolen 3-11-1944.
19landingsplaats Uncle Beach; Franse commando officier van no.4 commando ltn. Montlaur.
20van explosieven voorzien paalhoofd bij Uncle Beach achter Oranjemolen.
21Guy Hattu, René Lachèvre en Jacques Sénée naast Britse kameraden en een Nederlandse burger nabij Betje Wolfplein ter hoogte van bakkerij Speckens.
22Franse commando’s van de No. 4 Commando op het Betje Wolffplein, pand drogisterij de Vijzel, lopend richting oprit Coosje Buskenstraat.
23Franse commando’s van de no. 4 commando in Coosje Buskenstraat.
24Verkenning van gat in de Nolledijk.
25Franse commando`s van No. 4 Commando in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
26Engelse radio operator in Buffalo op weg naar Dishoek.
27Franse commando`s in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
28Franse commando`s in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
29Nederlands commando’s van no. 4 , van Gelderen, van Woerden, Persoon en De Ruiter bij gebouw waterleidingbedrijf.
30Nederlands commando’s van no. 4 bij capitulatie van Walcheren 8-11-1944.
31bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
32bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
33bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
34Duitse krijgsgevangenen bij waterwingebied Oranjezon; (Franse commando die in Vietnam omkwam tijdens de gevechten bij de Franse versterking Dien Bien Phoe).
35Duitse krijgsgevangenen in de duinen bij Vrouwenpolder.
36buitgemaakte Duitse helmen en wapens bij Vrouwenpolder.
37Franse commando van no. 4 commando aan strand Vrouwenpolder.
38Duitse geschutsbunker type 676 aan het strand Oostkapelle met Franse commando van Nr. 4 commando.
39Franse Commando’s in Oostkapelle(?) gewapend met o.a. de Sten Gun. 
Categorieën
Research

Uit de memoires van François Marie Camille Andriot

… Na de slag om Normandie keren we op 8 september terug in Petworth voor een aantal weken verlof en weer op sterkte te komen. We vernemen dat het 4e Commando de 1e Brigade verlaat en zich bij de 4e Brigade voegt met het oog op toekomstige operaties. De machinegeweersectie wordt ontbonden en ik word geplaatst in 5 troop onder bevel van Kapitein Lofi, een inwoner van Lotharingen die het bevel voerde over de Fransen in Normandië toen Kieffer gewond raakte. Ik lever mijn K-Gun in en krijg in ruil daarvoor een Thompson-pistoolmitrailleur, de Tommy-Gun. Ik ben nu verkenner in sectie 1 onder bevel van Luitenant Chausse en dat is heel ander werk. 

We ontvangen onze winteruitrusting en lijken op para’s met onze camouflagejassen. Op 4 oktober vertrekken we naar Tilbury, aan de Theems, bijna tegenover Dartford. Vanaf dan helaas geen verloven meer. We wachten om in te schepen en twee dagen later is het zo ver, we schepen in op een LCT naar de Noordzee. Nogmaals vaarwel aan Engeland en voor hoelang…? De oorlog is nog niet voorbij en de geallieerde opmars is gestopt omdat de bevoorrading niet volgt, aangezien de konvooien de Schelde niet op kunnen varen naar Antwerpen.

Het is niet erg mooi weer en de zee is onstuimig als we ’s avonds de Belgische duinen in zicht krijgen. We ontschepen de volgende ochtend in de ruïnes van wat de haven van Oostende was. De Duitsers hebben systematische vernielingen aangericht en alles volledig gemijnd. Maar de Engelsen werken hard om alles weer op orde te krijgen.

Vrachtwagens brengen ons naar Coq sur Mer, Den Haan in het Vlaams, zo’n vijftien kilometer van Oostende. De twee Franse troepen en twee Engelse troepen van het 4e zijn daar gestationeerd, evenals het hoofdkwartier. De frontlinie is zo’n zestig kilometer bij ons vandaan en we kunnen ’s nachts de kanonnen horen. We zijn geïnstalleerd in de hotels en ik deel een kamer met Félix Grispin.

Het leven in Den Haan is redelijk comfortabel, maar we eten niet erg goed, altijd blikvoer en biscuits. Gelukkig gaan we vaak naar Oostende met de elektrische trein die de kust volgt. Daar zijn bioscopen en we zijn in staat om de smaak van zeevruchten weer te pakken te krijgen in een restaurant, moules marinière, enz.

De training is vooruitstrevend en stelt ons in staat om ons snel weer aan te passen en onze conditie van voor 6 juni terug te krijgen. Ik ben nog steeds een goede hardloper en ben derde in de veldloop van heel N°4. De militaire training is zeer betekenisvol, aanvallen op versterkte posities met scherpe munitie, veel mortiervuur, alle automatische wapens. We leren ook omgaan met Bangalores, lange stalen buizen gevuld met explosieven die worden gebruikt om een doorgang te maken in prikkeldraadnetwerken. We beseffen dat we tegen willekeurige versterkte posities gebruikt zullen gaan worden.

Aan het begin van de laatste week van oktober nemen we deel aan oefeningen en worden we vervoerd in LVT’s, rupslandingsvoertuigen die zich net zo goed in het water als op het land op hun gemak voelen en gewapend zijn met een 20mm kanon. De britten noemen ze “Buffalo’s”.

Op 25 oktober bouwt de genie een barrière van prikkeldraad rond onze hotels en we weten wat er gaat volgen… We kunnen nog steeds de hotels uit, maar op 29 oktober worden er schildwachten om ons heen geplaatst en zijn we opgesloten zoals in de buurt van Southampton. Veiligheid vóór een grootschalige actie.

In de namiddag van 29 oktober wordt onze sectie naar het hoofdkwartier geroepen voor  instructies. Kolonel Dawson en commandant Kieffer leggen ons het doel van de operatie uit: een grootschalige landing in de stad Vlissingen, in Nederland, om het garnizoen te vernietigen en het eiland Walcheren te zuiveren, samen met de drie andere eenheden van de brigade die ten noorden van Vlissingen zullen landen, aan de westkust van het eiland bij Westkapelle.

Het gaat er in de eerste plaats om de geschutstellingen op het eiland, die de Schelde blokkeren om naar Antwerpen te varen, uit te schakelen. De geallieerden hebben de haven van Antwerpen immers nodig voor de bevoorrading. Maar de enige landing in een stad vóór ons was die in Dieppe… en we weten hoe dat is afgelopen.

Maar dit is geen raid, het eiland wordt verdedigd door de Duitse 70e Divisie, versterkt met elementen van de 64e, misschien wel 9.000 man sterk volgens de inlichtingendienst, en de verdedigingswerken van de stad zijn formidabel. Maar wij zijn commando’s en het moreel van de Duitsers is niet al te best.

Over het algemeen moet de gehele 4e Brigade landen bij het aanbreken van de dag op 1 november. No. 4 in Vlissingen en de rest, No. 46, 47 en 48 van de Royal Marines, in Westkapelle. Na het zuiveren van hun sectoren moeten ze samenkomen om het hele eiland te bevrijden.

Het moet gezegd worden dat het eiland overstroomd is, aangezien de RAF de dijken op meerdere plaatsen heeft gebombardeerd. Alleen de duinen en enkele andere delen liggen nog droog, waaronder een groot deel van Vlissingen. No. 4 heeft de zwaarste taak gekregen: 3.000 Duitsers in hun vestingwerken in Vlissingen. Een Schotse brigade moet na ons in Vlissingen landen en ons ondersteunen.

We hebben net de eerste post van onze families uit Frankrijk ontvangen en het nieuws is niet voor iedereen even goed! Op de avond van de 29e schrijven we onze laatste brieven voor de hele familie. Na onze ervaring in Normandië weten we heel goed dat onze overlevingskansen vrij klein zijn, en zelfs zéér klein als we in november in het water van de Schelde zouden belanden.

De laatste dag wordt doorgebracht met voorbereidingen, munitie, kleine waterdichte doosjes met noodrantsoenen, het schoonmaken van de wapens en de granaten. We hebben ook veel explosieven bij ons, zodat we van het ene huis naar het andere kunnen doorbreken zonder onder vijandelijk vuur naar buiten te hoeven.

We zijn op 31 oktober om 04:30 uur ’s ochtends op en eten een stevig ontbijt. Om 09:00 uur verlaat het konvooi dat ons vervoert Coq sur Mer. Om 15:00 uur zijn we in Breskens, in Nederland, tegenover Vlissingen, na een trage reis door het bevrijde België. We trekken door het toneel van de recente gevechten en de stad Breskens is bijna volledig verwoest; de lijken liggen overal onder het puin. De gevechten tussen de Canadezen en de Duitsers waren hevig, maar men moest de stad innemen voordat men de aanval op Walcheren kon inzetten.

We zien ook talloze graven van Franse soldaten die in 1940 gesneuveld zijn tijdens de opmars van het Leger-Giraud in mei. Voor het vallen van de avond gaan we naar de haven van Breskens, waar onze landingsvaartuigen gecamoufleerd zijn onder netten, en we weten waar we heen moeten bij het vertrek. We kunnen de gebouwen aan de overkant van het water in de mist zien. Het is nooit zonder emotie dat we denken aan een naderende actie. Even later gaan we meer voorraden halen en horen we granaten op de haven vallen. De Duitsers zijn op hun hoede en we voelen ons al helemaal in de sfeer van de strijd. Dit is vooral het geval wanneer we gedwongen worden plat op onze buik te gaan liggen als er enkele granaten in onze directe omgeving inslaan.

Ik heb me geïnstalleerd in de eetkamer van een half verwoest huis en bevind me vlak bij het raam. Na een goede maaltijd wikkelen we ons in onze deken en proberen we in slaap te vallen. Dat duurt echter niet lang; bij het vallen van de avond opent de Canadese artillerie het vuur op Vlissingen. Acht artillerieregimenten concentreren hun vuur, waaronder de zware artillerie. Achter ons, niet ver weg, bulderen de 155mm *Long Toms* woest en de lucht is verlicht… Het weer is onzeker, licht mistig. Soms horen we vliegtuigen en de explosies van bommen. We kunnen alleen maar denken aan de burgerbevolking die schuilt in de kelders van de stad.

Om 3 uur ’s nachts, op 1 november, zijn we op, gewekt door onze officieren, en eten we een paar happen, niet veel want ons hart is er niet bij! We maken ons klaar voor de strijd, zonder natuurlijk onze reddingsvesten te vergeten! Om 4.30 uur schepen we in, in volledige duisternis en stilte. We zijn met 30 man per landingsvaartuig, LCI’s, de kleinste, en we zitten in drie rijen van tien. Ik zit in de middelste rij, mijn machinepistool tussen mijn benen. 

Enkele Mosquito’s van de RAF laten bommen vallen op de bunkers van Vlissingen, waardoor de lucht voor ons verlicht wordt. We doen ons best om het ons zo comfortabel mogelijk te maken. Het landingsvaartuig deint een beetje op het water. De commando voor me is zijn gebeden aan het zeggen… Hij zal zich na de landing verstoppen in een lege bunker, de arme drommel. 

De twee motoren starten en we verlaten al snel Breskens. Geen ander geluid dan de 155mm kanonnen van de Canadezen die op de stad vuren en de explosies in de stad zelf. Onze landingsvaartuigen zigzaggen om een minder gemakkelijk doelwit te vormen voor eventuele bemande torpedo’s.

Plotseling horen we het gefluit van kogels en we maken ons zo klein mogelijk achter de reling, de lichtkogels komen onze kant op… de Moffen zijn alert. De strijd is begonnen en we kunnen in de gloed van de branden duidelijk de silhouetten van de gebouwen zien.

Ons vaartuig vangt een paar kogels op en onze stuurman raakt gewond aan zijn schouder, maar blijft desondanks op zijn post en brengt ons naar de kust. Het vuur van de automatische wapens is behoorlijk hevig en één van de motoren wordt geraakt door een 20mm granaat. We botsen zonder schade tegen een ander landingsvaartuig aan het einde van een lange steiger. We zijn nu beschut tegen de automatische wapens en de kogels vliegen over ons heen.

We meren aan bij een rotsachtige dijk en het vaartuig opent zijn deuren. We rennen zo snel mogelijk naar grote houten hekken, waarvan we weten dat ze mogelijk gemijnd zijn. Heel snel klimmen we eroverheen en springen we aan de andere kant eraf om naar de top van de dijk te klimmen.

Ik zie de eerste gevangenen, erg bleke gezichten boven hun groene uniformen. Ze zijn heel snel uit hun bunker gehaald en kijken stomverbaasd als ze ons zien. We wachten een klein momentje, op een rij in een smal straatje. De granaten van onze artillerie vallen onophoudelijk op een kleine honderd meter van ons vandaan, voor onze bescherming. De stad is in een raster verdeeld en alles is genummerd, zodat we de artillerie heel snel kunnen aanvragen en precies waar we die nodig hebben.

Kapitein Lofi stuurt me vooruit om wat op verkenning uit te gaan, en het enige wat ik hem kan vertellen is dat er een Duitse officier op slag gedood is terwijl hij probeerde een kelder in te vluchten, en je ziet alleen nog maar zijn leren broek! Meer heb ik niet gezien. 5 troop trekt voorzichtig verder, een sectie aan elke kant van de straat, glurend naar alle ramen en deuren. We maken enkele gevangenen.

Maar al snel worden we gestopt door vijandelijk vuur, en het is onmogelijk om verder op te rukken, want de Moffen gooien granaten naar ons vanuit de ramen. Drie mannen raken lichtgewond.

We trekken ons wat terug en schuilen in de kelders, waar we in direct contact staan met de bevolking, van wie sommigen een beetje bang zijn voor onze vuile gezichten en agressieve houding. Al snel gaan we weer naar buiten en hervatten we de opmars richting Boulevard de Ruyter. De Duitsers moeten zich hebben teruggetrokken in hun kazerne, vlakbij waar wij zijn. De boulevard is erg breed en wordt bestreken door het vuur van een vierloops 20mm kanon.

De andere Franse troop moet oversteken om bij hun doelen te komen en lijdt verliezen, doden en gewonden. We brengen de middag door in een huis, van waaruit we de grote bunker bovenaan de boulevard observeren, en onze sluipschutters vuren op de bedieners van het 20mm vierloopskanon.
Tegen het einde van de middag trekken we ons terug op een stevige verdedigingslinie om de nacht door te brengen. We proberen wat rust te pakken tussen de wachtdiensten door en ik kan je verzekeren dat we één en al oog en oor zijn. De hemel wordt verlicht door de branden in de stad en we horen het gekraak van brandend hout.

In de ochtend rukken we op naar de posities die de vorige dag waren ingenomen en onze sectie krijgt het bevel om de brede straat over te steken om verder omhoog te gaan, net als de andere sectie. We steken over zonder te worden lastiggevallen, misschien door het verrassingseffect, want ik kan u verzekeren dat we heel hard rennen.

We komen aan in een grote school die is omgebouwd tot kazerne en ontvangen enkele geweerschoten en een granaat, de vijand trekt zich voor ons terug. We vinden voorraden wijn, tabak en diverse sterke dranken en we vullen onze veldflessen en zakken. Het vuur van het 20mm-geschut is weer begonnen en het is onmogelijk voor ons om in de straat verder te komen. Dit is waar onze explosieven van pas komen. We gaan van huis tot huis en het is een erg trage opmars, omdat we nooit weten wat we in het huis zullen aantreffen na de explosie. We lopen door een juwelierszaak zonder iemand te zien; uiteraard verstoppen de bewoners zich in de kelders.

Tijdens de middag moeten we ons even terugtrekken om de Typhoons van de RAF de kans te geven raketten op de bunker af te vuren, wat ze zeer behendig doen zonder ons te raken! We hervatten onze opmars, naderen tot op ongeveer dertig meter en bevinden ons achter een grote antitankmuur. De andere sectie is op dezelfde manier aan de andere kant opgerukt. We gooien zes granaten naar de andere kant en voegen ons bij de andere sectie in een groot gebouw dat uitkijkt op de bunker.

We hebben de kanonnen en de artilleristen uitgeschakeld. De nacht valt en de Moffen zwaaien met een witte vlag, precies op het moment dat we een holle lading op de deur wilden plaatsen om deze op te blazen. Een dertigtal mannen komt naar buiten, handen in de lucht, lijkbleek van angst. In totaal maken we ongeveer vijftig krijgsgevangenen.

We bezetten de bunker en houden de vijand in de gaten, die zich op ongeveer tweehonderd meter van ons heeft ingegraven, richting Hotel Britannia, het vijandelijke hoofdkwartier. Een collega en ik worden naar de nabijgelegen huizen gestuurd. Terwijl we oversteken, opent de vijand een hevig vuur met automatische wapens en 20mm-geschut. We drukken ons letterlijk plat tegen de grond en de lichtspoorpatronen vliegen vlak over ons heen. Een moment van grote angst, want het scheelde maar een haartje…

We gaan een groot huis binnen en worden door niemand opgewacht… maar de Duitsers bevonden zich blijkbaar op de bovenverdiepingen en hebben zich niet verroerd totdat ze zich even later overgaven. Ze hadden granaten naar ons kunnen gooien… of zich aan ons kunnen overgeven.

Alles is nu rustiger en we hopen op een goede nachtrust, maar de generaal die de leiding heeft over de expeditie heeft andere ideeën. Hij wil N°4 gebruiken voor een aanval over zee op de artilleriebatterijen ten noordwesten van Walcheren. Onze kolonel, Robert Dawson, laat hem weten dat we niet in staat zijn om een dergelijke operatie te ondernemen na de landing en twee dagen van gevechten in Vlissingen. Gelukkig begrijpt de generaal dit en blijven we in de stad.

De gevechten zijn voorbij en we zien honderden Duitsers marcheren om zich aan ons te overgeven, met de admiraal en officieren voorop. We zijn ook getuige van de vernietiging van de laatste verzetshaarden aan de rand van de stad door de Rocket-Typhoons van de RAF.

We hebben de kans om de bagage van de gevangenen te doorzoeken en ik verzamel een klein bedrag aan geld dat goed van pas zal komen bij onze terugkeer naar De Haan om heerlijk te gaan eten in Oostende en Brugge.

In de ochtend van 4 november marcheren we tot in de buurt van de grote bres en de dijk ten noorden van Vlissingen. We moeten wachten tot het vloed is en we schepen in de “Buffalo’s” om over te steken in tamelijk sterke waterstromingen.

We beginnen dan aan een zeer slopende mars over wegen en ook door het zand om ons bij de rest van de brigade te voegen. We slapen in de gebouwen van een verlaten hotel waar geen glas meer in de ramen zit.

Op de 5e rusten we de hele dag, maar we horen het geluid van de strijd in het noorden van het eiland. De 6e, weer een lange mars en we komen aan in Domburg, waar we opnieuw slapen in een hotel dat aan alle winden is blootgesteld, en we zijn in november. Maar de nacht is kort want we worden rond 3 uur ’s nachts gewekt en moeten ons klaarmaken voor het gevecht. We moeten de laatste grote vijandelijke stelling in het noorden van het eiland aanvallen.

Onderweg in de vroege ochtend maken we enkele krijgsgevangenen, die niet erg zeker meer zijn van wat hen te wachten staat, want ze hadden bevel gekregen om alle commando-gevangenen te doden. Eén van hen wil me zelfs zijn horloge geven… en ik wijs hem af. Er vallen enkele mortiergranaten in de buurt. Maar we zullen vandaag niet vechten, de Duitsers hebben er genoeg van en geven zich over. 3.000 gevangenen marcheren langs ons en gooien hun wapens neer. Ik word de eigenaar van een 6.35mm revolver.

’s Avonds nemen we onze intrek in Vrouwenpolder, alweer in een hotel. Ik koop een kip van een paar goede mensen en kook hem. We blijven in dit dorp tot 14 november en ’s ochtends schepen we in op de ” Buffalo’s ” om naar Middelburg, de hoofdstad van de provincie Zeeland, vervoerd te worden. We lopen nog eens 10 km om eindelijk in vrachtwagens te stappen en in de buitenwijken van Antwerpen aan te komen, waar we iets te eten krijgen en de nacht doorbrengen. Op de 15e, halverwege de dag, zijn we terug in De Haan waar we een tiental dagen blijven en uitrusten.

Het is in deze periode dat we het geld dat we op de moffen hebben buitgemaakt, gebruiken om onszelf op goede maaltijden te trakteren.

Op 25 november stappen we in vrachtwagens om onze verdedigingsposities in te nemen op de Zeeuwse eilanden. We brengen de nacht door op een boerderij vlakbij Goes, in Holland, en komen aan in het kleine dorpje Kats, op het eiland Noord-Beveland, waar 5 Troop is ingekwartierd. De vijand is heel dicht bij ons op het eiland Schouwen, waarvan we de kust kunnen zien.

We zijn in “billet” (ingekwartierd) per twee in de huizen van het dorp, maar de bewoners geven ons alleen een slaapplaats omdat we onze eigen keuken hebben. Ik logeer opnieuw samen met Félix en we verblijven bij de slager, meneer Klaassen, die een groot gezin heeft, en zijn vrouw, Tina. We klimmen met een ladder naar de zolder, waar we slapen. Het is niet warm in Holland, maar we zijn erin geslaagd om acht dekens te verzamelen en liggen dus redelijk comfortabel voor de nacht. ’s Ochtends wassen we ons met overvloedig water in de tuin, koud water en soms in de sneeuw, leve de gezondheid!

Het No. 4 Commando, met enkele veldartillerie- en luchtafweereenheden, bewaakt het eiland tegen elke vijandelijke inval. Af en toe zijn er artillerieduels en de bewoners kruipen onder hun bedden, want er zijn geen kelders in de huizen hier… Overdag patrouilleren we en ’s nachts bemannen we wachtposten langs de dijken. We hebben een plek waar we vuur hebben en kunnen slapen tussen de wachtdiensten door, maar de wachten in het donker op de dijk, helemaal alleen, zijn niet de favorieten. We verzamelen bergen mosselen en koken ze in koektrommels, zonder wijn natuurlijk, en zonder knoflook…

We zien de V1’s passeren en ook de V2-raketten vertrekken. We moeten de tijd en de richting met het kompas noteren zodat ze gebombardeerd kunnen worden. We brengen Kerstmis 1944 door in Kats en worden door de gemeente en de bewoners uitgenodigd voor twee maaltijden. De arme mensen hebben niet veel want het land is geplunderd door de Duitsers, maar we zijn hen dankbaar voor hun gastvrijheid. De slager nodigt ons elke zondag uit om met zijn familie te eten en we leren varkensbraadstuk eten met appelmoes, een beetje zoals het Chinese “sweet and sour”.

Voor mij is dit de derde Kerstmis ver weg van de familie en, hopelijk de laatste, want we kunnen het einde van de oorlog in zicht zien, of dat geloven we althans. Sinds begin november komen de brieven uit Chaumont regelmatig aan en het contact is goed hersteld. Ze zijn erg verrast om mij bij de Commando’s te zien en te horen dat ik op 6 juni ben geland en de veldtocht in Normandië heb meegemaakt. Misschien dachten ze dat ik niet wilde gaan vechten…

Categorieën
Research

1163FN43  François Marie Camille Andriot

François Andriot werd geboren op 14 juli 1921 (op de Franse nationale feestdag) in Chaumont (Haute-Marne), als zoon van een drukker. In zijn jeugd was hij een actief lid van de JOC (Jeunesse Ouvrière Chrétienne), een organisatie voor christelijke arbeidersjongeren.

Toen hij in oktober 1942 door de Duitse bezetter werd opgeroepen voor de STO (Service du Travail Obligatoire), wat dwangarbeid in nazi-Duitsland betekende, weigerde hij gehoor te geven. Samen met zijn vriend Charles Husson besloot hij Frankrijk te ontvluchten om zich aan te sluiten bij de Vrije Franse Strijdkrachten. Ze staken de Pyreneeën over maar werden in Spanje opgepakt en maandenlang gevangen gezet in Spaanse kampen, een lot dat veel vluchtelingen destijds trof.

Na hun vrijlating in mei 1943 slaagden Andriot en Husson erin om Groot-Brittannië te bereiken. In juni 1943 tekenden ze officieel hun contract bij het Vrije Franse leger. Husson koos voor de parachutisten, Andriot besloot zich bij de marine-infanterie te voegen.

Hij meldde zich als vrijwilliger aan bij het 1er Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), beter bekend als het “Commando Kieffer”. Hij kreeg stamboeknummer 1163 FN 43 (FN staat voor Forces Navales, 43 voor het inschrijvingsjaar 1943) en commando-badge nummer 184. Binnen deze elite-eenheid werd Andriot ingedeeld als soldaat bij de  K-gun sectie die verantwoordelijk was voor het bieden van dekkingsvuur met Vickers-mitrailleurs.

Op 6 juni 1944 schreef Andriot geschiedenis. Hij was één van de 177 Fransen in Britse uniformen die, samen met het Britse No. 4 Commando, op Sword Beach (bij Ouistreham) landden. Tijdens de zware gevechten in de straten van Ouistreham leverden Andriot en de K-Gun sectie essentiële vuursteun. Zo vochten ze hevig mee tijdens de inname van een zwaar verdedigde bunker die door de Duitsers in het voormalige casino was gebouwd. Bijzonder is dat hij de gehele, uiterst bloedige Slag om Normandië wist door te komen zonder gewond te raken, wat een zeldzaamheid was binnen het Commando Kieffer.

Andriot bleef meestrijden tijdens de verdere bevrijding van Europa. Op 1 november 1944 was hij, inmiddels overgeplaatst naar 5 Troop onder no.4 commando, actief tijdens operatie Infatuate I. 

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Andriot niet terug naar Frankrijk, maar vestigde hij zich in Groot-Brittannië, het land van waaruit hij de bevrijdingsstrijd was gestart. 

Door de complexe politieke nasleep van de oorlog en de houding van de toenmalige Franse regering onder generaal De Gaulle, duurde het lang voordat de mannen van het Commando Kieffer de erkenning kregen die ze verdienden. Die erkenning kwam voor François Andriot uiteindelijk op 6 juni 2004. Tijdens de 60ste herdenking van D-Day ontving de toen 82-jarige Andriot op het strand van Ouistreham eindelijk de medaille van Chevalier de la Légion d’honneur. Tien jaar later, in oktober 2014, werd hij bevorderd tot Officier de la Légion d’honneur. Dat gebeurde in zijn woonplaats Wigmore omdat hij de reis naar Ouistreham niet meer aan kon vanwege zijn leeftijd.

François Andriot overleed op 8 februari 2016 op 94-jarige leeftijd in zijn woonplaats Wigmore, in het zuidoosten van Engeland.

Categorieën
Research

Dirk van der Wal

Dirk van der Wal werd geboren op 14 juli 1917 in Zuidland, een dorp op het eiland Voorne-Putten in de provincie Zuid-Holland. Hij groeide op als zoon van J.A. van der Wal en Pietertje Weeda en was de oudste broer in het gezin. Eind dertiger jaren ging Dirk het leger in omdat hij vreesde voor de invloed die Hitler in Europa begon te krijgen. 

Op 10 mei 1940 is hij met enkele maten met een vliegtuigje Nederland ontvlucht naar Engeland.Dirk van der Wal werd het jaar daar op ingedeeld in de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. Deze eenheid werd in 1941 in Engeland opgericht en bestond uit Engelandvaarders, geëvacueerde militairen en Nederlanders uit overzeese gebiedsdelen. Ze werden vooralsnog echter niet ingezet voor acties op het vaste land tegen de Duitsers.

Toen de Britse krijgsmacht in 1942 vrijwilligers zocht voor nieuw op te richten geallieerde Commando-eenheden, meldde een groep mannen uit de Prinses Irenebrigade zich aan, onder wie Van der Wal. Op 22 maart 1942 vertrokken zij naar Achnacarry ,Schotland om daar de zware Commando Basic Training te volgen. Hier onderging Van der Wal een van de zwaarste militaire opleidingen ter wereld: speedmarsen met zware bepakking, overleven in de wildernis, man-tegen-mangevechten en amfibische landingen. Het trainingskamp stond onder leiding van de beruchte Britse luitenant-kolonel Charles Vaughan, wiens meedogenloze trainingsfilosofie simpel was: “Alles gebeurt hier in de looppas. Wij kennen de gewone pas niet, behalve ik.” Wassen, eten, trainen en overleven in de bittere kou. Alles ging op topsnelheid en onder extreme druk. Na het voltooien van deze training ontving hij de felbegeerde groene baret.

Op 25 juni 1942 werd van der Wal samen met vierentwintig Nederlandse commando´s overgeplaatst naar het Schotse plaatsje Troon. Hier werd onder het bevel van reserve eerste-luitenant P.J. Mulders No.2 (Dutch) Troop officieel opgericht, onderdeel van het fameuze No. 10 (Inter-Allied) Commando met als thuisbasis Porthmadog in Wales.

Op 31 mei 1943 verhuisde van der Wal met No.2 (Dutch) Troop en de andere onderdelen van No.10 (Inter Allied) Commando naar de Engelse badplaats Eastbourne, wat tot het eind van de oorlog de thuisbasis zou blijven van deze internationale eenheid. 

In december 1943 werd, op aandringen van luitenant Linzel en Prins Bernhard, besloten om No.2 (Dutch) Troop samen met een Britse commandobrigade in het Verre Oosten in te zetten. Een aantal Nederlandse commando´s stond bepaald niet te springen om naar Azië af te reizen, zij wilden liever tegen de Duitsers vechten om het vaderland te bevrijden. In januari 1944 arriveerden de commando’s in Brits-Indië. Slechts vijf commando’s mochten mee vechten in Birma tegen de Japanners, van der Wal zat daar niet bij. Hij heeft daar ongeveer een half jaar gezeten en zich rot verveeld met patrouilles lopen. Ondanks de mooie beloftes heeft hij geen enkele gevechtshandeling mogen verrichten. Omdat de invasie in Europa nabij leek wilden de commando’s terug, ze kwamen op 15 augustus 1944 aan in Engeland.

Tijdens Operatie Market Garden werd de No. 2 (Dutch) Troop opgesplitst in kleine detachementen. Omdat zij de taal spraken en de cultuur kenden, werden zij als liaisons (verbindingsofficieren), verkenners en tolken toegevoegd aan de grote geallieerde luchtlandingsdivisies.

Dirk van der Wal, inmiddels sergeant-commando,  werd toegevoegd aan de befaamde 101ste US Airborne Division (Screaming Eagles). Op 17 september 1944 nam hij deel aan de massale luchtlanding. In tegenstelling tot de parachutisten landde Van der Wal per zweefvliegtuig, in de omgeving van Son (Noord-Brabant). Het doel van de 101ste Airborne was het veroveren van de bruggen bij Son, Sint-Oedenrode en Veghel om zo de opmarsroute (Hell’s Highway) voor het Britse 30e Legerkorps open te houden. De Duitsers bliezen echter de brug over het Wilhelminakanaal op, net voordat de geallieerde soldaten, waaronder Van der Wal, deze konden veroveren. Als Nederlandse commando tussen de Amerikanen had Van der Wal een cruciale taak. Hij legde direct contact met het lokale Nederlandse verzet, ondervroeg Duitse krijgsgevangenen voor snelle inlichtingen, begeleidde Amerikaanse patrouilles door onbekend terrein en hielp bij het ontdekken van Duitse hinderlagen. Op 11 oktober 1944 kwamen de restanten van No.2 (Dutch) Troop, er waren een aantal commando’s gesneuveld en gevangen genomen, bijeen in Eindhoven. Kapitein Linzel legde hen de keuze voor om rust te nemen of aan een nieuwe actie deel te nemen. De vermoeide commando’s kozen voor de laatste optie.

Op 1 november 1944 begon Operatie Infatuate I, de amfibische aanval op Vlissingen. Elf Nederlandse commando’s, waaronder van der Wal,  werden daar ingezet. Dit keer zij aan zij met de Britse en Franse commando’s van No. 4 Commando. Van der Wal was als TCM (Troop Sergeant Major) ingedeeld in KEEPFORCE, de “advance reconnaissance party”, die in twee LCP’s (Landing Craft Personel) als eerste moesten landen om  het landingsgebied vrij te maken, te markeren voor de troepen die zouden volgen en een bruggehoofd op te stellen. Na de landing vocht van der Wal zich een weg door de straten van Vlissingen. Er werd van huis tot huis en van bunker tot bunker gevochten. De Nederlandse commando’s raakten drie dagen lang verzeild in felle straatgevechten maar wisten, met slechts twee gewonden en met behulp van andere commando-eenheden, Vlissingen op 3 november te bevrijden. Dit maakte de weg vrij om de rest van Walcheren te zuiveren en uiteindelijk de haven van Antwerpen te openen, wat een beslissend kantelpunt in de oorlog was.

Aan het einde van de oorlog, in april en mei 1945, werd Dirk van der Wal nog ingezet aan het front bij het Hollands Diep. Na de bevrijding ging hij naar de Stormschool in Bloemendaal waar hij werd bevorderd tot officier. In 1947 kreeg hij eervol ontslag uit het leger. Hij trouwde in uniform en ging aan de slag in een van de slagerijen van zijn schoonvader. Hoewel hij het burgerleven oppakte gaf hij later toe dat hij misschien beter beroepsmilitair had kunnen blijven. Uiteindelijk verhuisde hij met zijn vrouw naar de regio Leeds in Engeland. Daar kreeg hij een zoon en een dochter. Hij overleed in Thorner, Engeland op 15 juli 1983, precies één dag na zijn 66e verjaardag. Na zijn overlijden hoorde zijn dochter Jeanne dat haar vader het Bronzen Kruis, een onderscheiding voor getoonde moed, had ontvangen maar daar had hij thuis nooit over gesproken.

De mannen van No. 2 Dutch Troop, waaronder Van der Wal, legden de basis voor wat vandaag de dag het Korps Commandotroepen (KCT) van de Koninklijke Landmacht is. Van der Wal had een nuchtere, bijna fatalistische manier om met de constante dreiging om te gaan. Zijn persoonlijke lijfspreuk was: “Als er geen kogel is waar Dirk van der Wal op staat, hoef ik me geen zorgen te maken.”

Categorieën
Research

37FN40 Jean François “de Boxer” Simon

Jean François Simon werd geboren op 2 december 1919 in Tréglamus, een klein dorp in het departement Côtes-d’Armor in Bretagne. Na de val van Frankrijk in de vroege zomer van 1940 weigerde hij zich neer te leggen bij de bezetting door nazi-Duitsland. Op 2 september 1940 sloot hij zich in Engeland aan bij de Forces Navales Françaises Libres onder leiding van generaal de Gaulle. Hij kreeg hierbij het stamboeknummer 37FN40.

Simon behoorde tot de eerste kerngroep van vrijwilligers die later de basis zou vormen van de Franse commandoeenheid. In 1941 maakte hij al deel uit van de instructiecompagnie van luitenant Philippe Kieffer. Hij werd door kameraden omschreven als een robuuste man met een neus die deed denken aan die van een bokser, zo kreeg hij zijn bijnaam; Le Boxeur; Omdat hij tot de 17 mannen van het eerste uur behoorde kreeg hij het zeer lage commando badgenummer 6.

In april 1942 vertrok hij naar het befaamde Commando Basic Training Centre in Achnacarry in de Schotse Hooglanden, waar hij de zware training voltooide. Hiermee werd hij officieel ingedeeld bij Troop 1 van het pas opgerichte 1er Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC). Jean Simon groeide uit tot een ware steunpilaar van de eenheid en nam als “quartier-maître fusilier” (korporaal) deel aan vrijwel alle grote operaties van zijn bataljon gedurende de oorlog.

Hij was betrokken bij operatie Jubilee, de grote en bloedige raid op de Franse kustplaats Dieppe in augustus 1942. Jean Simon deed mee aan diverse levensgevaarlijke nachtelijke raids langs de Franse kust om de vijandelijke verdediging uit te proberen en te verkennen ter voorbereiding op D-Day.

De paar maanden voor D-day waren No.4 commando en No.10 (Inter-Allied) commando (o.a. de Fransen) ingekwartierd bij burgers in Bexhill-on-Sea.

Training en vertrek: In Bexhill hielden de troepen zich bezig met intensieve trainingen, parades en oefeningen met scherpe munitie. Op 25 mei 1944 verlieten ze de stad in stilte om naar de verzamelpunten in Southampton te gaan, waar ze werden geïsoleerd voor de definitieve oversteek naar Sword Beach op D-Day. 

Vlak voor D-day werd medegedeeld dat de commando’s een aantal dagen na de landing zouden worden afgelost, dat werden er uiteindelijk 82…Op de ochtend van 6 juni 1944, D-Day, landde Jean Simon met zijn eenheid op Sword Beach bij Colleville-sur-Orne. De Franse commando’s hadden als taak de versterkte bunkers in Ouistreham en het plaatselijke casino in te nemen. Hij overleefde de zware gevechten en vocht mee in de lange, bloedige Normandië-campagne, waaronder de verdediging van de beroemde Pegasusbrug .

Op 6 september verlieten ze Frankrijk en werden ze voor verlof naar camp Petworth in West Sussex gebracht waar ze drie weken mochten aansterken.

Daarna scheepten ze in richting Oostende en werden naar De Haan getransporteerd om zich voor te bereiden op operatie Infatuate I.

Vlak voor Infatuate I zijn de Franse commando’s van troop 1 en 8 ingelijfd bij No. 4 commando als 5 en 6 Troop. Op 1 november 1944 landde Jean Simon onder vijandelijk vuur op Uncle Beach bij de Oranjemolen in Vlissingen. Na de zware amfibische landing was Jean François Simon betrokken bij felle stadsgevechten om de stad huis voor huis en straat voor straat te bevrijden. Voor zijn standvastigheid en uitmuntende militaire gedrag tijdens operatie Infatuate I werd hij na de oorlog onderscheiden met de Médaille Militaire en de Croix de Guerre avec étoile de bronze.

Toekenning van de Médaille Militaire

De quartier-maître fusilier 1e klasse SIMON (Jean), van het 1e bataljon fusiliers-marins commandos: Sectiecommandant met een voorbeeldige moed en koelbloedigheid. Heeft tijdens de landing in Vlissingen op 1 november 1944 zijn sectie, deel van zijn eenheid, door de door de vijand bezette stad geleid naar de essentiële positie die hij moest behouden. Heeft deze positie in het begin vrijwel alleen standgehouden, geïsoleerd van de rest van zijn sectie tegenover een Duitse compagnie die in onze linies probeerde te infiltreren en heeft hen daarbij zware verliezen toegebracht. Nadat hij was ontzet,

is hij zijn positie nog 24 uur blijven verdedigen, waarbij hij alle vijandelijke tegenaanvallen heeft verijdeld. Heeft blijk gegeven van de allerhoogste morele en militaire kwaliteiten.

Hoewel hij vanaf de allereerste dag tot het bittere eind bij de commandos diende en voor de vrijheid van Frankrijk had gevochten, koos Jean Simon er na de oorlog voor om zich definitief in Engeland te vestigen. Hij trouwde daar met Hazel Weekes in Sussex in 1945 en werkte korte tijd in dienst van de Franse ambassadeur in Londen. Daarna stapte hij over naar een baan bij de Britse spoorwegmaatschappij, waarna hij zijn werkzame leven afsloot als werknemer op diverse boerderijen op het Engelse platteland.

Jean Simon overleed op 15 juli 1982 op 63-jarige leeftijd in Hastings, Engeland waar hij tevens begraven ligt.

De foto van Jean François Simon is gemaakt in september 1944 toen hij was ingekwartierd in de woning van de Pesketts in Bexhill, Engeland.