Maurice White, geboren op 27 december 1919, trad in dienst op 15 april 1940 op 20-jarige leeftijd. Hij werd op 28 juli 1941 opgeroepen voor het Suffolk Regiment, een regulier infanterieregiment van het Britse leger. Net als veel andere jonge mannen in die tijd koos hij er echter voor om zich vrijwillig te melden voor “gevaarlijke diensten”, de commando’s. Dit was geen lichte beslissing; het betekende dat hij zijn vertrouwde eenheid moest verlaten voor de zwaarste training die het Britse leger kende in het beruchte Commando Basic Training Centre in Achnacarry, in de Schotse Hooglanden.
Onder het bevel van luitenant-kolonel Charles Vaughan werd hij daar tot het uiterste gedreven met speedmarsen, man tot man gevechten, rotsklimmen en amfibische landingen. Na het succesvol afronden van de training verdiende hij het recht om de felbegeerde groene baret te dragen en werd hij ingedeeld bij No. 4 Commando, D-troop.
In de vroege uren van 6 juni 1944, D-day, was White onderdeel van de 1st Special Service Brigade (onder bevel van de beroemde Lord Lovat). No. 4 Commando, onder leiding van luitenant-kolonel Robert Dawson, had een specifieke en levensgevaarlijke missie. No.4 commando landde op Sword Beach , sector “Queen Red”, dicht bij Ouistreham.
Maurice White was de tweede man in zijn LCA maar de eerste die het strand bereikte. Toen de klep van het landingsvaartuig opende werd zijn vriend die voor hem stond gedood en viel met zijn gezicht naar beneden in het water. Maurice stopte om hem om te draaien voor het geval hij nog ademde, een daad waarvoor hij voor de krijgsraad had kunnen worden gebracht wegens plichtsverzuim.
Hij hielp mee met het uitschakelen van de Duitse kustbatterijen en de zwaar verdedigde bunker die was gebouwd op de plek van het voormalige casino in Ouistreham. Na het veiligstellen van Ouistreham trokken White en zijn kameraden landinwaarts. Hun doel was om verbinding te maken met de 6th Airborne Division bij de bruggen over de Orne en het kanaal van Caen (Pegasus Bridge).
Maurice zat op een gegeven moment gevangen achter vijandelijke linies en moest via Nederland een weg terug naar Engeland vinden, onderweg verborgen gehouden door Nederlandse families.
Na 82 dagen in Normandië werd No. 4 Commando teruggetrokken naar Engeland om te herstellen en zich voor te bereiden op een volgende, vitale operatie, Infatuate I. Maurice White was inmiddels naar Engeland gesmokkeld en voegde zich weer bij No.4 commando.
Op de vroege ochtend van 1 november 1944 voerde No. 4 Commando een amfibische frontale aanval uit op Vlissingen. De commando’s landden onder dekking van de duisternis en artillerievuur (vanaf Breskens) op Uncle Beach. 2 Troop, waartoe White behoorde, was een van de eersten die de modderige, gladde glooiing op klom. Zijn troop was verantwoordelijk voor het zuiveren van sector “Falmouth”, het gebied rechts van Uncle beach tot aan de sluizen.
Zonder de succesvolle aanval op Vlissingen door mannen als White, had de haven van Antwerpen niet bevoorraad kunnen worden en was de geallieerde opmars naar Duitsland in de winter van 1944-1945 ernstig vertraagd.
Maurice White overleed hij op 28 mei 2007. Hij werd begraven op 6 juni 2007, D-Day…

