Oorlog herdenken is oorlog voorkomen

Categorieën
Nieuws

Nieuwsbrief #5 2026

Nieuwsbrief nummer 5 begint met twee feestelijke berichten. Allereerst viert de Stichting Oorlogsjaren in Vlissingen dit jaar haar 10-jarig jubileum! Deze bijzondere mijlpaal willen we niet zomaar voorbij laten gaan. Daarom vanaf deze plaats een speciaal woord van dank gericht aan u, voor uw trouwe support en belangstelling in al die jaren. Uw vertrouwen in onze organisatie, ondersteuning namens een bestuursorgaan of bedrijf, kennisoverdracht vanuit een specifieke vakgebied, een geldelijke donatie of door een gift in natura is door ons altijd enorm op prijs gesteld. Onze grote dank daarvoor! Uiteraard zijn wij ook veel dank verschuldigd aan de oprichters van de stichting: Jaap Ventevogel, Ineke Herbers-Schoenmakers en Jo de Ridder. Helaas zijn ze niet meer in ons midden, maar hebben een prachtige stichting nagelaten aan de stad Vlissingen.

In het afgelopen decennium kregen, in wisselende samenstellingen, bestuursleden en vrijwilligers het voor elkaar dat er meer belangstelling is gekomen voor Vlissingen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Dat is altijd de doelstelling geweest die men voor ogen had bij de oprichting in 2016.

Categorieën
Research

 2091717 William Pretswell 

Sergeant William Pretswell, geboren in 1918 in Cambusnethan, North Lanarkshire, Schotland, zoon van David en Susan Pretswell, echtgenoot van Jeanie B. Pretswell uit Newmains, Lanarkshire was een Britse militair die diende in 2 platoon van de de 241st Field Company Royal Engineers. De eenheid bestond uit drie platoons Schotse genietroepen (sappers) en was verbonden aan de 52nd (Lowland) Infantry Division. 

Baret- insigne van de Royal Engineers 

Genietroepen waren o.a. verantwoordelijk voor het ruimen van mijnen, bouwen van bruggen,vrijmaken van wegen en ondersteunen van de infanterie bij het overwinnen van vijandelijke obstakels. 

Op 1 november 1944 begon de amfibische aanval (Infatuate I) op Vlissingen. De 241st Field Company speelde hierbij een belangrijke ondersteunende rol voor de aanvallende eenheden. 2 Platoon van de 241st Field Company landde samen met de 4th King’s Own Scottish Borderers in de vroege ochtend. 

2 Platoon trok samen met B & C Companies, 4 K.O.S.B. de stad in om obstakels en explosieven te ruimen. De volgende dag werd 2 platoon terug getrokken naar omgeving 

Uncle beach om daar, met hulp van Duitse krijgsgevangenen, werkzaamheden uit te voeren. Hiervoor waren bulldozers overgevaren vanuit Breskens. Ook werden explosieven op de scheepswerf onklaar gemaakt. 

Op 5 november begon 2 platoon samen met 4 K.O.S.B. anti-tank obstakels te verwijderen op de weg van Vlissingen naar Oost-souburg en mijnen te ruimen op het jaagpad langs het kanaal door Walcheren. Het jaagpad was de enige optie voor het bevoorraden met behulp van vrachtwagens van de oprukkende troepen richting Middelburg. De hoofdweg van Vlissingen naar Middelburg lag immers onder water. Het ruimen ging traag en was uiterst gevaarlijk werk omdat het jaagpad onder water stond tijdens vloed omdat de sluizen waren vernield en vol lag met rotzooi. De volgende dag, terwijl Britse eenheden richting Middelburg oprukten in LVT’s (Buffalo’s) ging dit werk door. 

Op 7 november trokken Britse eenheden Middelburg in, 2 platoon is dan nog steeds bezig met het zoeken naar en ruimen van “Teller- und Schümine” op het jaagpad en het opvullen van bomkraters. 

Deze dag komt Sergeant William Pretswell om het leven door een ontploffende mijn. Volgens de War diary van 241th Field Company komt ook Lance-Sergeant Arthur Allpress daar bij om het leven maar zijn sterfdatum is officieel 8 november. 

De commandant van 2 platoon gaf vervolgens, na overleg met de Commander Royal Engineers van de 52e Divisie in Middelburg, het bevel om al het werk aan het jaagpad te 

staken vanwege de grote hoeveelheid mijnen en de moeilijkheid om deze te detecteren als gevolg van aangespoeld vuil op het jaagpad en de oevers van het kanaal. 

De volgende dag werd het werk op het jaagpad hervat op bevel van de 155th Brigade als urgent werk aangezien de route dringend nodig was om troepen in Middelburg te bevoorraden. Op 9 november werd het jaagpad vrijgegeven voor verkeer tot klasse 5 (tot 5 Ton). 

William Pretswell werd tijdelijk begraven in Biervliet, achter de R.K.-kerk, en is in juni 1946 overgebracht naar het Bergen-op-Zoom War Cemetery, 16. B. 4 

Zijn naam staat vermeld op het Larkhall War memorial, South Lanarkshire, Schotland en op het Herdenkingsmonument/Roll of Honour “Uncle Beach”, Oranjedijk, Vlissingen. 

AT THE GOING DOWN OF THE SUN AND IN THE MORNING WE WILL REMEMBER YOU 

Categorieën
Research

Admiraal Sir Bertram Home Ramsay

Admiraal Sir Bertram Home Ramsay was een van de belangrijkste Britse marineofficieren van de Tweede Wereldoorlog. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij bij de Dover Patrol, waar hij ervaring opdeed met complexe kustoperaties en anti-duikboot oorlogsvoering. In 1938 was hij van plan met pensioen te gaan maar hij bleef uiteindelijk in de marine vanwege de steeds voelbaardere spanningen in de betrekkingen met Duitsland.

Bertram Ramsay coördineerde tussen 26 mei en 4 juni 1940 vanuit het Dover Castle de evacuatie uit Duinkerke (Operatie Dynamo) van meer dan 330.000 Britse en Franse soldaten die door de Duitsers in het nauw waren gedreven. Als plaatsvervangend zeestrijdkrachtencommandant plande en leidde hij de succesvolle amfibische landingen in Noord-Afrika (Operatie Torch) en later de invasie van Sicilië (Operatie Husky). Als Naval Commander in Chief van de geallieerde invasievloot was Ramsay verantwoordelijk voor het overzetten van de troepen vanuit Engeland naar Normandië tijdens D-day. Het coördineren van bijna 7.000 vaartuigen was een ongeëvenaarde logistieke prestatie. 

Na de opmars door Frankrijk en België viel de havenstad Antwerpen begin september 1944 onbeschadigd in geallieerde handen. Antwerpen was echter nutteloos zolang de Duitsers de oevers van de Westerschelde, en met name het zwaar gefortificeerde Walcheren, controleerden.

Ramsay was een van de weinige geallieerde bevelhebbers die de strategische urgentie hiervan inzag. Al op 5 september waarschuwde hij Veldmaarschalk Bernard Montgomery dat het openen van de Schelde de absolute topprioriteit moest zijn. Montgomery gaf echter de voorkeur aan de opmars richting Duitsland (Operatie Market Garden) en stelde de aanval op de Schelde uit. Deze vertraging stelde de Duitsers in staat om Walcheren uit te bouwen tot een zwaar verdedigde vesting. Toen het gebrek aan bevoorrading de geallieerde opmars later dat najaar toch deels lam legde, kreeg Ramsay een leidende rol in de planning van Operatie Infatuate.

Ramsay’s aanpak voor Operatie Infatuate rustte op een brute, maar effectieve tactiek:

Inundatie van Walcheren: Om de Duitse verdediging te breken en speciale amfibische voertuigen (zoals de Buffalo’s en Weasels) te kunnen gebruiken, werden de dijken bij Westkapelle, Veere, Vlissingen en fort Rammekens door de RAF gebombardeerd. Walcheren liep grotendeels onder water, wat de Duitsers naar de hoger gelegen delen van het eiland dwong.

Aanval vanuit Drie Richtingen: Op 1 november 1944 coördineerde de marine de aanval. Britse commando’s en troepen landden in Vlissingen vanuit Breskens (Operatie Infatuate I), terwijl een tweede amfibische strijdmacht bij Westkapelle landde (Operatie Infatuate II). Tegelijkertijd vochten Canadese troepen zich over de drassige en zwaar verdedigde Sloedam een weg naar het eiland.

Ondanks bittere weersomstandigheden en zwaar verzet slaagden de landingen. Dankzij Ramsay’s planning werd de haven van Antwerpen op 28 november 1944 geopend voor scheepvaart, wat de logistieke redding betekende voor de geallieerde opmars naar Duitsland.

Bertram Ramsay zou de uiteindelijke overwinning niet meemaken. Op 2 januari 1945 stortte het vliegtuig waar hij in zat neer, kort na het opstijgen vanaf de luchthaven Toussus-le-Noble nabij Parijs. Hij was op weg naar een ontmoeting met Montgomery in Brussel. Ramsay, vier van zijn stafleden en de bemanning van het vliegtuig kwamen daarbij om het leven.  Zijn meesterschap in amfibische oorlogsvoering leeft voort en was mede doorslaggevend voor de bevrijding van Europa en in het bijzonder voor de bevrijding van de Zeeuwse wateren.

De kisten met de 5 omgekomen militairen waaronder, naast Ramsay,  2 stafleden van HMS Odyssey, zijn persoonlijke piloot en een tweede bemanningslid. HMS Odyssey was het hoofdkwartier van de Allied Naval Commander-in-Chief Expeditionary Force (ANCXF), met Ramsay als Commander-in-chief, en bevond zich toen op het terrein van het Château d’Hennemont in Saint-Germain-en-Laye, een buitenwijk van Parijs.
De foto is genomen in de kapel aldaar. Het betreft de “lying in state” of wel staatsopbaring van de 5 omgekomen militairen. De erewacht: De militairen staan in de traditionele Britse marine-houding voor rouw (“Reverse Arms”), met het hoofd gebogen en rustend op de kolf van hun omgekeerde geweer.

HE KNOWS HE AT THE END SHALL LIFE INHERIT

Categorieën
Research

D/SSX14392 James Hough

James Hough werd geboren op 25 mei 1913 in de plaats Sale (Cheshire, Engeland) als zoon van Joseph en Elizabeth Hough. Tijdens de Tweede Wereldoorlog diende hij in de Royal Navy als Petty Officer (onderofficier).

James behoorde tot het gespecialiseerde Royal Naval Beach Commando en hij was afkomstig van H.M.S. Northney, gelegen op Hayling Island in Hampshire, Engeland. Dit was een van de Britse “stone frigates” (marinebasis aan wal) die tijdens de Tweede Wereldoorlog dienden als opleidingscentra en basis voor landingsvaartuigen. De in totaal 22 Royal Naval Beach Commando eenheden waren getraind om landingsstranden (beach heads) op te richten, te beheren en te controleren tijdens amfibische operaties.

Tijdens operatie Infatuate was Royal Naval Beach Commando L (ook bekend als Commando “Love”) verantwoordelijk voor deze levensgevaarlijke maar essentiële taken tijdens de amfibische operaties. De eenheid bestond uit ongeveer 10 officieren en 60 manschappen, geleid door een Principal Beachmaster. De eenheid was opgedeeld in drie secties (L1, L2 en L3) om de logistiek, de doorstroom van troepen, het snel keren van landingsvaartuigen en het zo snel mogelijk afvoeren van gewonden en krijgsgevangenen te regelen bij de landingen.

Commander Redvers M. Prior was de Principal Beachmaster voor de gehele operatie op Walcheren. Sectie L3 stond onder bevel van deputy commander Captain Maud en hij stuurde de landingszone in Vlissingen aan tijdens Infatuate I (secties L1 en L2 landden in Westkapelle, Infatuate II).

Op 1 november 1944 nam Petty Officer James Hough in sectie L3 deel aan de amfibische aanval op Vlissingen en ging met de eerste aanvalsgolf aan land. Hij moest als onderofficier direct toezicht houden op de “Able en Ordinary Seamen” in de sectie en zorgen dat de orders van de Beach Master direct werden uitgevoerd om het bruggenhoofd bij Uncle beach in te richten. Het was tijdens de felle beschietingen en chaos op het bruggenhoofd dat James Hough op de eerste dag van de aanval op 1 november 1944 sneuvelde. De precieze omstandigheden zijn niet bekend. Hij was 31 jaar oud.

Petty Officer James Hough werd begraven op de tijdelijke begraafplaats bij Uncle beach. Na de oorlog is hij herbegraven op het Bergen-op-Zoom War Cemetery, zijn rustplaats is Graf 5-D-6.

In Vlissingen wordt zijn opoffering nog altijd geëerd. Bij het landingsgebied waar hij het leven liet, is het openluchtmuseum en herdenkingsmonument Uncle Beach aan de Oranjedijk ingericht. Hier staat de naam van James Hough vereeuwigd op de Roll of Honour, ter nagedachtenis aan de bevrijders die de hoogste prijs betaalden voor de vrijheid van Nederland.

HIS MEMORY IS OUR GREATEST TREASURE IN OUR HEARTS. HE WILL LIVE FOR EVER.

Categorieën
Research

2. Artillerieträger-Flottille

De 2. Artillerieträger-Flottille werd in september 1942 opgericht en ondergebracht bij de 2. Sicherungs-Division, die verantwoordelijk was voor de kustverdediging in het Nauw van Calais en het Kanaal tussen Dover en de Scheldemonding. 

Het flottielje bestond niet uit traditionele oorlogsschepen, maar uit zwaarbewapende, omgebouwde gevorderde civiele koopvaardijschepen en landingsvaartuigen zoals AF (Artilleriefährprähme, SAT (Schwere Artillerieträger) en LAT (Leichte Artillerieträger) die waren volgebouwd met 8,8 cm, 3,7 cm en 2 cm luchtafweergeschut (Flak).

Vlissingen was in 1943 een cruciaal steunpunt voor de Kriegsmarine vanwege de strategische ligging aan de monding van de Westerschelde, met toegang tot de haven van Antwerpen. De schepen van de 2. Artillerieträger-Flottille hadden twee hoofdtaken:

Konvooibegeleiding (Geleitzugdienst): In 1943 was de geallieerde dreiging op zee sterk toegenomen. Kustkonvooien die logistieke goederen langs de Nederlandse kust naar Frankrijk brachten, werden hevig aangevallen door Britse jachtbommenwerpers, motortorpedoboten (MTB’s) en motorkanonboten (MGB’s). 

Drijvende Flak-batterijen: Wanneer de schepen in een haven lagen afgemeerd of voor anker lagen hadden ze een statische functie. Vanwege hun enorme hoeveelheid luchtafweergeschut fungeerden ze als extra bescherming voor haveninstallaties tegen geallieerde luchtaanvallen.

Na de val van Antwerpen begin september 1944 werd de 2. Artillerieträger-Flottille direct onder bevel gesteld van de Seekommandant Südholland. In oktober 1944 zaten tienduizenden soldaten van het Duitse 15e Leger (onder generaal Von Zangen) in de val in de ‘Breskens Pocket’ in Zeeuws-Vlaanderen. Terwijl de Canadezen oprukten, organiseerden de Duitsers een massale evacuatie over de Westerschelde naar Vlissingen en Zuid-Beveland. De Artilleriefährprähme van de 2. Flottille werden intensief ingezet om deze overtochten te beschermen. Zij fungeerden als drijvende forten op de Westerschelde en hielden de geallieerde jachtbommenwerpers op afstand, zodat de trage veerponten de Duitse troepen konden overzetten.

Tijdens de felle geallieerde bombardementen op Vlissingen in oktober en november 1944 liepen diverse vaartuigen zware averij op. In de loop van oktober werden de overgebleven, nog zeewaardige boten van het flottielje uit de Zeeuwse wateren teruggetrokken naar Ijmuiden, Rotterdam en Wilhelmshaven en ondergebracht bij de 5. Sicherungs-Division. Begin mei 1945 werden de schepen verzameld in Rotterdam, waar ze zich overgaven aan Britse troepen.

Categorieën
Nieuws

We bestaan 10 jaar!

Onze stichting passeerde de jubileumgrens van 10 JAAR; om even bij stil te staan. Op 3 augustus 2016 melden zich drie “oorlogskinderen” bij de notaris om onze stichting op te richten:

Jaap Ventevogel, Catharina Schoenmakers en Jo de Ridder ondertekenden die dag de akte. Een mooi avontuur begon met als eerste hoogtepunt de opening van de Roll of Honour op de muur van de Oranjemolen.

1. De stichting heeft als doel:
a. de geschiedenis van en kennis over Vlissingen in de Tweede Wereldoorlog bij een groot publiek in herinnering te houden bij huidige en toekomstige generaties om nieuwe oorlogen te helpen voorkomen;
b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.

2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door:
– het houden van herdenkingen;
– het stimuleren en realiseren van publicaties;
– het (doen) aanbrengen van gedenktekens;
– het opzetten van een vraagbaak over de betreffende periode in Vlissingen en omgeving via een website en via sociale en andere media; en
– het samenwerken met andere organisaties.

Wij zijn er trots op dat we tot op de dag van vandaag actief zijn als bestuur en vrijwilligers om deze doelen te bewaken en vorm te blijven geven.

Categorieën
Research

De gebroeders Jan en Willem van Schaik

De gebroeders Jan en Willem van Schaik werden in de gemeente West en Oost Souburg geboren en waren al vroeg vertrouwd met de koopvaardij. De oorlogstijd bracht voor hen spannende tijden en Jan van Schaik overleefde het niet en stierf op 35 jarige leeftijd in de golven. De 2 jaar oudere broer Willem overleefde de hachelijke oorlogsavonturen wel en hielp op 6 juni aan boord van de ss. Mecklenburg, 600 Canadese soldaten  te ontschepen om 06.35 uur bij landingszone JUNO. Zij zijn de eerste Canadese gevechtseenheid die op het strand terrein weet te winnen.

Lees de verhalen van de gebroeders in de bijlagen.

Categorieën
Research

De vaartijd in oorlogstijd van scheldeloods Gerard de Hondt

Wanneer het in het begin van de oorlog duidelijk wordt dat Gerard voorlopig niet terug zal keren naar Vlissingen gaat Tine, dan 24 jaar, weer bij haar ouders wonen aan de Vrijdomweg 6 in Vlissingen zodat zij niet als alleenstaande vrouw verplicht geëvacueerd hoeft te worden bij haar familie vandaan. Haar meubels worden ergens in Vlissingen opgeslagen om pas zeven jaar later weer tevoorschijn te komen wanneer Tine en Gerard eindelijk weer eigen woonruimte hebben in de Scheldestraat 45 te Vlissingen.

In het begin van de oorlog ontvangt Tine nog een gedeelte van het salaris van Gerard. Zij koopt een spinnenwiel, gaat op Walcheren met de fiets de boer op om schapenvachten te kopen en verdient met het verkopen van de door haar gesponnen wol.

Vanaf oktober 1941 mogen de rederijen, dus ook de KNSM bij welke scheepvaartmaatschappij Gerard inmiddels stuurman is, van de Duitse bezetter geen gages meer betalen aan de echtgenoten en families van de zeevarenden die naar bezet gebied weigeren terug te keren. Een spontaan opgezet illegaal ondersteuningsfonds onder de schuilnaam ’Zeemanspot’ wordt opgericht. Of Tine ooit een beroep gedaan heeft op de zogeheten ’Zeemanspot’ is niet bekend.

Lees verder in de PDF hieronder.

Categorieën
Research

10801FN40 – Alexandre Lofi

Alexandre Lofi werd geboren op 21 februari 1917 in Dudweiler, gelegen in het destijds Duitse Saarland, waar zijn vader alsmijnwerker werkte. Na de Franse overwinning in 1918 keerde het gezin terug naar hun oorspronkelijke thuisbasis in L’Hôpital in het departement Moselle, dat weer Frans grondgebied was geworden. Hier bracht Alexandre Lofi zijn jeugd door en volgde hijbasisonderwijs.

Al op jonge leeftijd koos hij voor een leven op zee. In 1930, op 13-jarige leeftijd, trad hij toe tot de École des Pupilles de la Marine in Brest.

Op 1 april 1933 nam hij officieel dienst bij de Franse marine. Na verschillende inschepingen werd hij ingedeeld bij de fusiliers marins (mariniers). Hij klom gestaag op, in oktober 1935 werd hij Quartier-maître fusilier (kwartiermeester).

Toen Frankrijk in juni 1940 capituleerde weigerde Alexandre Lofi, inmiddels second-maître (onderofficier), militair instructeur en sportinstructeur aan de Marineschool in Brest, de wapenstilstand te accepteren. Hij wist naar Engeland te ontkomen en sloot zich op27 juni 1940 in de Olympia Hall in Londen aan bij de Vrije Franse Strijdkrachten (FFL, Forces Françaises Libres) van generaalCharles de Gaulle waar hij Philippe Kieffer ontmoette. Hij werd ingedeeld bij het 1e Bataillon de Fusiliers Marins (1e BFM). Met zijn eenheid vertrok hij in oktober 1940 naar Kameroen. Hier speelde hij een jaar lang een belangrijke rol in de kustverdediging van dit Afrikaanse gebied, dat zich bij de Vrije Fransen had aangesloten. Hij werd gepromoveerd tot officier des équipages en nam van november 1941 tot december 1942 deel met het pas opgerichte 2e BFM ter verdediging van de kusten van Libanon.

In juni 1943 meldde Alexandre Lofi zich als vrijwilliger voor het 1e Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), onder leiding van commandant Philippe Kieffer. Hij reisde terug naar Groot-Brittannië en trainde in de zware commandoopleidingskampen in Schotland. Het volledige Franse commandobataljon werd als “Troop 1” en “Troop 8” toegevoegd aan het Britse No. 10 (Inter-Allied) Commando, een geallieerde eenheid waarin buitenlandse vrijwilligers zaten die de talen van de geallieerde landen spraken

Op 6 juni 1944 (D-Day) landde Alexandre Lofi, aan het hoofd van Troop 8, ‘s ochtends vroeg op Sword Beach in Normandië, samen met No.4 commando. Zijn eenheid had als specifieke doelwit het zwaar verdedigde casino van Ouistreham, dat door de Duitsers was omgebouwd tot een bunkercomplex.

Onder leiding van Lofi werd het doelwit met succes ingenomen en werden veel vijandelijke soldaten krijgsgevangen gemaakt. Toen commandant Kieffer tijdens de gevechten gewond raakte, nam Alexandre Lofi met buitengewone koelbloedigheid het commando over het hele Franse bataljon op zich. Hij leidde zijn mannen in de cruciale weken na de landing, waaronder bij dezware verdediging van de Pegasusbrug over de rivier de Orne. Tijdens een nachtelijke aanval op een sterk verdedigde Duitsemortierstelling in de sector L’Épine op 20 augustus 1944, raakte Alexandre Lofi gewond door granaatscherven.

Na zijn herstel speelde Alexandre Lofi opnieuw een sleutelrol. Op 1 november 1944 nam hij als bevelvoerder van de Franse troop 5, inmiddels geïntegreerd in No. 4 commando, deel aan de amfibische landing bij Vlissingen, als onderdeel van Operatie Infatuate.De L.C.A. waar Alexandre Lofi in zat, samen met no.1 sectie, werd geraakt door flak granaten en machinegeweerkogels, de motor viel uit en het vaartuig botste tegen een pier. Na de landing zonk het landingsvaartuig.

Troop 5 trok de stad in, via de Oranjestraat, langs de Gravestraat richting de Sint Jacobskerk en vervolgens via het Bellamypark naar de barakken achter de gevangentoren, in de volksmond “de bomvrije” geheten. Er waren felle straatgevechten, huis tot huis, en er werden Duitse troepen gevangen genomen. Troop 5 splitste zich op de grote markt op om de barakken aan te vallen. No. 2 sectienaar de noordkant, Alexandre Lofi ging samen met no. 1 sectie naar de zuidkant.

Om 08:00 kreeg Troop 5 echter andere orders. 4 KOSB ging de barakken aanvallen, troop 5 moest door naar de bunker bovenaan de Coosje Buskenstraat, codenaam Dover.

No. 1 sectie ging via de Noordstraat en nam stelling in een huis op de hoek van Coosje Buskenstraat waar ze onder vuur kwamenvan een flak-vierling en machinegeweren bij de bunker op de Boulevard. No. 2 sectie ging via de Molenstraat en kwam bij de Paardenmarkt waar ze onder vuur kwamen te liggen van machinegeweren en sluipschutters. Om 12:30 kregen ze orders om terug tetrekken en hun posities te houden, de bunker zou bestookt worden door artillerie.

De volgende ochtend werd de aanval op de bunker hervat. Vanaf het dak van de bioskoop Alhambra werd met een PIAT (draagbaar anti-tankwapen) geprobeerd de Duitsers tot overgave te dwingen.

Beide secties, een aan elke kant van de Coosje Buskenstraat, baanden zich een weg door de huizen wat “mouseholing” werd genoemd. De bunker werd gebombardeerd door Typhoon vliegtuigen en bestookt met PIAT granaten. Aangekomen bij de anti-tankmuur bij de Boulevard werd besloten om de ingang van de bunker met een explosief te vernietigen, hiervoor zou een vrijwilliger voor de bunker langs moeten rennen om het explosief voor de ingang te gooien. Voordat dit plan zou worden uitgevoerd verscheen er echter een witte vlag. 3 officieren en 54 manschappen werden gevangen genomen.

Alexandre Lofi vocht de rest van de Nederlandse campagne uit en eindigde de oorlog in mei 1945 met de rang van Officier des Équipages de 1ère Classe.

Alexandre Lofi besloot na de oorlog in de marine te blijven en had een opmerkelijke naoorlogse carrière. Hij vervulde onder andere de volgende functies:

  • Directeur van de marinecommando-opleiding in Algiers
  • Directeur van het centrum voor fysieke educatie van de marine (1948-1952)
  • Hoofd van het Hoofdkwartier van de Maritieme Prefectuur in Toulon.
  • In 1960 werd hij technisch adviseur en sportofficier bij de chef van de marinestaf in Parijs.

Hij ging uiteindelijk in 1970 met pensioen als Officier en Chef des Équipages (een rang vergelijkbaar met kapitein-luitenant terzee/commandant). Alexandre Lofi overleed op 75-jarige leeftijd op 7 maart 1992 in Cuers, departement Var, waar hij ook begraven ligt. In L’Hôpital is een plein naar hem vernoemd, waar tevens een monument ter nagedachtenis aan hem is opgericht. In 2024 is een monument geplaatst in Ouistreham. Voor zijn immense moed en leiderschap ontving Alexandre Lofi enkele van de hoogste militaire onderscheidingen uit zowel Frankrijk als het Verenigd Koninkrijk:

  • Compagnon de la Libération (de hoogste en zeldzaamste onderscheiding die Frankrijk kent, persoonlijk door De Gaulle uitgereikt op 17 november 1945)
  • Officier de la Légion d’Honneur (Legioen van Eer)
  • Commandeur de l’Ordre National du Mérite
  • Croix de Guerre 1939-1945 (met 3 palmen/vermeldingen)
  • Military Cross (Verenigd Koninkrijk)
  • Médaille d’Or de l’Éducation Physique
Categorieën
Research

13807764 – Private Pierre Laux

British Army, Devonshire Regiment, 4 Commando, 3 Troop

Pierre Laux werd op 16 juni 1918 geboren in de gemeente Kayl, in het zuiden van Luxemburg. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en Luxemburg in mei 1940 door nazi-Duitsland werd binnengevallen, ontvluchte hij zijn vaderland en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen in Marokko.

In 1942 wist Pierre Laux zijn weg te vinden naar Londen. Hij ging in dienst bij het Britse leger en kreeg het servicenummer 13807764. Hij werd in eerste instantie ingedeeld bij het Devonshire Regiment, maar meldde zich al snel aan als vrijwilliger bij de elitetroepen: de British Commandos. Hij werd ingedeeld bij het befaamde No. 4 Commando. 

Tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië trouwde hij met Hilda Laux, afkomstig uit Astley Bridge, een wijk in Bolton, Lancashire.

Pierre Laux behoorde tot de troepen die geschiedenis schreven op D-Day.

Op 6 juni 1944 landde hij met No. 4 Commando op Sword Beach in Normandië. De commando eenheid stond destijds onder bevel van de legendarische Lord Lovat en vocht samen met de Franse commando’s van Kieffer. Pierre Laux vocht mee in de zware strijd om de kuststad Ouistreham te bevrijden en overleefde de daaropvolgende, meedogenloze Slag om Normandië. 4 Commando keerde op 7 September terug naar Engeland.

Na 3 weken herstel en versterken vertrok 4 Commando naar Oostende en vervolgens naar het 8 dagen eerder bevrijde De Haan om mee te gaan doen met Operation Infatuate. Eerst moest Breskens bevrijd en gezuiverd worden, pas dan kon de aanval op Walcheren beginnen. Op 22 oktober was Breskens in geallieerde handen. Bij de dagelijkse oefeningen werden de commando’s vertrouwd gemaakt met de plattegrond van Vlissingen, die is opgedeeld in kleine sectoren, welke Engelse namen dragen zoals Dover, Bexhill, Eastbourne, Seaford, Brighton.

De voorbereidingen verliepen zo snel dat de commandant van het 4e Commando aan Pierre Laux en twee andere Luxemburgse commando’s, Jean en Antoine Neven, op 28 oktober een jeep en een Engelse chauffeur ter beschikking stelde en hun drie dagen verlof gaf zodat ze even naar huis konden.

Op 31 oktober verplaatste 4 Commando zich naar Breskens. De volgende nacht om 2 uur werden ze gewekt en om half 5 vertrokken de eerste landingsvaartuigen onder geallieerd spervuur richting Vlissingen. In de vroege ochtend van 1 november 1944 landde No. 4 Commando in de slijkhaven van Vlissingen.  Pierre Laux zat in de derde landingsgolf en kwam aan om 06:30 onder hevig vuur van machinegeweren van FALMOUTH en 20mm kanonnen van BRIGHTON. 3 Troop (waar Laux deel van uitmaakte) was als eerste van het bruggenhoofd af en kreeg de taak om zo snel mogelijk op te rukken naar hun eerste doelwit, BRAEMAR (het Bellamypark).

De afstand tussen de landingsplaats en BRAEMAR werd snel  afgelegd, via de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat omdat een Duitse pillbox met machinegeweer bij het Bellamypark de Nieuwendijk onder vuur nam. Het Bellamypark werd bereikt bij het eerste licht, 07:00 uur. Gunner Bill Harvey werd dodelijk getroffen toen hij vanuit de Nieuwstraat het Bellamypark wilde oversteken. Verder oprukken werd sterk belemmerd door Duitse stellingen op het Keizersbolwerk en pillboxen in de omgeving van het Bellamypark. Verschillende pillboxen en machinegeweerstellingen werden omzeild met uitzondering van één pillbox in de buurt van BRAEMAR.

Een aanvalsgroep van C-subsectie onder leiding van Sergeant Jackson werd losgemaakt van 3 Troop om dit mitrailleursnest uit te schakelen. Tijdens deze gevaarlijke frontale aanval op de bunker werd Private Pierre Laux bij de ingang van de stelling dodelijk getroffen.

Pierre Laux stierf als een van de vele helden tijdens de Slag om de Schelde. Hij was op dat moment 26 jaar oud. Vandaag de dag rust hij op het Bergen op Zoom War Cemetery, te midden van zijn strijdmakkers die eveneens hun leven gaven voor de bevrijding van Vlissingen.

Zijn naam is aangebracht op de Roll of Honour aan de muur van de Oranjedijk.

“Each name is a cry for peace” , Elke naam is een schreeuw om vrede.