De 2. Artillerieträger-Flottille werd in september 1942 opgericht en ondergebracht bij de 2. Sicherungs-Division, die verantwoordelijk was voor de kustverdediging in het Nauw van Calais en het Kanaal tussen Dover en de Scheldemonding.
Het flottielje bestond niet uit traditionele oorlogsschepen, maar uit zwaarbewapende, omgebouwde gevorderde civiele koopvaardijschepen en landingsvaartuigen zoals AF (Artilleriefährprähme, SAT (Schwere Artillerieträger) en LAT (Leichte Artillerieträger) die waren volgebouwd met 8,8 cm, 3,7 cm en 2 cm luchtafweergeschut (Flak).
Vlissingen was in 1943 een cruciaal steunpunt voor de Kriegsmarine vanwege de strategische ligging aan de monding van de Westerschelde, met toegang tot de haven van Antwerpen. De schepen van de 2. Artillerieträger-Flottille hadden twee hoofdtaken:
Konvooibegeleiding (Geleitzugdienst): In 1943 was de geallieerde dreiging op zee sterk toegenomen. Kustkonvooien die logistieke goederen langs de Nederlandse kust naar Frankrijk brachten, werden hevig aangevallen door Britse jachtbommenwerpers, motortorpedoboten (MTB’s) en motorkanonboten (MGB’s).
Drijvende Flak-batterijen: Wanneer de schepen in een haven lagen afgemeerd of voor anker lagen hadden ze een statische functie. Vanwege hun enorme hoeveelheid luchtafweergeschut fungeerden ze als extra bescherming voor haveninstallaties tegen geallieerde luchtaanvallen.
Na de val van Antwerpen begin september 1944 werd de 2. Artillerieträger-Flottille direct onder bevel gesteld van de Seekommandant Südholland. In oktober 1944 zaten tienduizenden soldaten van het Duitse 15e Leger (onder generaal Von Zangen) in de val in de ‘Breskens Pocket’ in Zeeuws-Vlaanderen. Terwijl de Canadezen oprukten, organiseerden de Duitsers een massale evacuatie over de Westerschelde naar Vlissingen en Zuid-Beveland. De Artilleriefährprähme van de 2. Flottille werden intensief ingezet om deze overtochten te beschermen. Zij fungeerden als drijvende forten op de Westerschelde en hielden de geallieerde jachtbommenwerpers op afstand, zodat de trage veerponten de Duitse troepen konden overzetten.
Tijdens de felle geallieerde bombardementen op Vlissingen in oktober en november 1944 liepen diverse vaartuigen zware averij op. In de loop van oktober werden de overgebleven, nog zeewaardige boten van het flottielje uit de Zeeuwse wateren teruggetrokken naar Ijmuiden, Rotterdam en Wilhelmshaven en ondergebracht bij de 5. Sicherungs-Division. Begin mei 1945 werden de schepen verzameld in Rotterdam, waar ze zich overgaven aan Britse troepen.
Onze stichting passeerde de jubileumgrens van 10 JAAR; om even bij stil te staan. Op 3 augustus 2016 melden zich drie “oorlogskinderen” bij de notaris om onze stichting op te richten:
Jaap Ventevogel, Catharina Schoenmakers en Jo de Ridder ondertekenden die dag de akte. Een mooi avontuur begon met als eerste hoogtepunt de opening van de Roll of Honour op de muur van de Oranjemolen.
1. De stichting heeft als doel: a. de geschiedenis van en kennis over Vlissingen in de Tweede Wereldoorlog bij een groot publiek in herinnering te houden bij huidige en toekomstige generaties om nieuwe oorlogen te helpen voorkomen; b. het verrichten van alle verdere handelingen, die met het vorenstaande in de ruimste zin verband houden of daartoe bevorderlijk kunnen zijn.
2. De stichting tracht haar doel onder meer te verwezenlijken door: – het houden van herdenkingen; – het stimuleren en realiseren van publicaties; – het (doen) aanbrengen van gedenktekens; – het opzetten van een vraagbaak over de betreffende periode in Vlissingen en omgeving via een website en via sociale en andere media; en – het samenwerken met andere organisaties.
Wij zijn er trots op dat we tot op de dag van vandaag actief zijn als bestuur en vrijwilligers om deze doelen te bewaken en vorm te blijven geven.
De gebroeders Jan en Willem van Schaik werden in de gemeente West en Oost Souburg geboren en waren al vroeg vertrouwd met de koopvaardij. De oorlogstijd bracht voor hen spannende tijden en Jan van Schaik overleefde het niet en stierf op 35 jarige leeftijd in de golven. De 2 jaar oudere broer Willem overleefde de hachelijke oorlogsavonturen wel en hielp op 6 juni aan boord van de ss. Mecklenburg, 600 Canadese soldaten te ontschepen om 06.35 uur bij landingszone JUNO. Zij zijn de eerste Canadese gevechtseenheid die op het strand terrein weet te winnen.
Lees de verhalen van de gebroeders in de bijlagen.
Wanneer het in het begin van de oorlog duidelijk wordt dat Gerard voorlopig niet terug zal keren naar Vlissingen gaat Tine, dan 24 jaar, weer bij haar ouders wonen aan de Vrijdomweg 6 in Vlissingen zodat zij niet als alleenstaande vrouw verplicht geëvacueerd hoeft te worden bij haar familie vandaan. Haar meubels worden ergens in Vlissingen opgeslagen om pas zeven jaar later weer tevoorschijn te komen wanneer Tine en Gerard eindelijk weer eigen woonruimte hebben in de Scheldestraat 45 te Vlissingen.
In het begin van de oorlog ontvangt Tine nog een gedeelte van het salaris van Gerard. Zij koopt een spinnenwiel, gaat op Walcheren met de fiets de boer op om schapenvachten te kopen en verdient met het verkopen van de door haar gesponnen wol.
Vanaf oktober 1941 mogen de rederijen, dus ook de KNSM bij welke scheepvaartmaatschappij Gerard inmiddels stuurman is, van de Duitse bezetter geen gages meer betalen aan de echtgenoten en families van de zeevarenden die naar bezet gebied weigeren terug te keren. Een spontaan opgezet illegaal ondersteuningsfonds onder de schuilnaam ’Zeemanspot’ wordt opgericht. Of Tine ooit een beroep gedaan heeft op de zogeheten ’Zeemanspot’ is niet bekend.
Alexandre Lofi werd geboren op 21 februari 1917 in Dudweiler, gelegen in het destijds Duitse Saarland, waar zijn vader alsmijnwerker werkte. Na de Franse overwinning in 1918 keerde het gezin terug naar hun oorspronkelijke thuisbasis in L’Hôpital in het departement Moselle, dat weer Frans grondgebied was geworden. Hier bracht Alexandre Lofi zijn jeugd door en volgde hijbasisonderwijs.
Al op jonge leeftijd koos hij voor een leven op zee. In 1930, op 13-jarige leeftijd, trad hij toe tot de École des Pupilles de la Marine in Brest.
Op 1 april 1933 nam hij officieel dienst bij de Franse marine. Na verschillende inschepingen werd hij ingedeeld bij de fusiliers marins (mariniers). Hij klom gestaag op, in oktober 1935 werd hij Quartier-maître fusilier (kwartiermeester).
Toen Frankrijk in juni 1940 capituleerde weigerde Alexandre Lofi, inmiddels second-maître (onderofficier), militair instructeur en sportinstructeur aan de Marineschool in Brest, de wapenstilstand te accepteren. Hij wist naar Engeland te ontkomen en sloot zich op27 juni 1940 in de Olympia Hall in Londen aan bij de Vrije Franse Strijdkrachten (FFL, Forces Françaises Libres) van generaalCharles de Gaulle waar hij Philippe Kieffer ontmoette. Hij werd ingedeeld bij het 1e Bataillon de Fusiliers Marins (1e BFM). Met zijn eenheid vertrok hij in oktober 1940 naar Kameroen. Hier speelde hij een jaar lang een belangrijke rol in de kustverdediging van dit Afrikaanse gebied, dat zich bij de Vrije Fransen had aangesloten. Hij werd gepromoveerd tot officier des équipages en nam van november 1941 tot december 1942 deel met het pas opgerichte 2e BFM ter verdediging van de kusten van Libanon.
In juni 1943 meldde Alexandre Lofi zich als vrijwilliger voor het 1e Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), onder leiding van commandant Philippe Kieffer. Hij reisde terug naar Groot-Brittannië en trainde in de zware commandoopleidingskampen in Schotland. Het volledige Franse commandobataljon werd als “Troop 1” en “Troop 8” toegevoegd aan het Britse No. 10 (Inter-Allied) Commando, een geallieerde eenheid waarin buitenlandse vrijwilligers zaten die de talen van de geallieerde landen spraken
Op 6 juni 1944 (D-Day) landde Alexandre Lofi, aan het hoofd van Troop 8, ‘s ochtends vroeg op Sword Beach in Normandië, samen met No.4 commando. Zijn eenheid had als specifieke doelwit het zwaar verdedigde casino van Ouistreham, dat door de Duitsers was omgebouwd tot een bunkercomplex.
Onder leiding van Lofi werd het doelwit met succes ingenomen en werden veel vijandelijke soldaten krijgsgevangen gemaakt. Toen commandant Kieffer tijdens de gevechten gewond raakte, nam Alexandre Lofi met buitengewone koelbloedigheid het commando over het hele Franse bataljon op zich. Hij leidde zijn mannen in de cruciale weken na de landing, waaronder bij dezware verdediging van de Pegasusbrug over de rivier de Orne. Tijdens een nachtelijke aanval op een sterk verdedigde Duitsemortierstelling in de sector L’Épine op 20 augustus 1944, raakte Alexandre Lofi gewond door granaatscherven.
Na zijn herstel speelde Alexandre Lofi opnieuw een sleutelrol. Op 1 november 1944 nam hij als bevelvoerder van de Franse troop 5, inmiddels geïntegreerd in No. 4 commando, deel aan de amfibische landing bij Vlissingen, als onderdeel van Operatie Infatuate.De L.C.A. waar Alexandre Lofi in zat, samen met no.1 sectie, werd geraakt door flak granaten en machinegeweerkogels, de motor viel uit en het vaartuig botste tegen een pier. Na de landing zonk het landingsvaartuig.
Troop 5 trok de stad in, via de Oranjestraat, langs de Gravestraat richting de Sint Jacobskerk en vervolgens via het Bellamypark naar de barakken achter de gevangentoren, in de volksmond “de bomvrije” geheten. Er waren felle straatgevechten, huis tot huis, en er werden Duitse troepen gevangen genomen. Troop 5 splitste zich op de grote markt op om de barakken aan te vallen. No. 2 sectienaar de noordkant, Alexandre Lofi ging samen met no. 1 sectie naar de zuidkant.
Om 08:00 kreeg Troop 5 echter andere orders. 4 KOSB ging de barakken aanvallen, troop 5 moest door naar de bunker bovenaan de Coosje Buskenstraat, codenaam Dover.
No. 1 sectie ging via de Noordstraat en nam stelling in een huis op de hoek van Coosje Buskenstraat waar ze onder vuur kwamenvan een flak-vierling en machinegeweren bij de bunker op de Boulevard. No. 2 sectie ging via de Molenstraat en kwam bij de Paardenmarkt waar ze onder vuur kwamen te liggen van machinegeweren en sluipschutters. Om 12:30 kregen ze orders om terug tetrekken en hun posities te houden, de bunker zou bestookt worden door artillerie.
De volgende ochtend werd de aanval op de bunker hervat. Vanaf het dak van de bioskoop Alhambra werd met een PIAT (draagbaar anti-tankwapen) geprobeerd de Duitsers tot overgave te dwingen.
Beide secties, een aan elke kant van de Coosje Buskenstraat, baanden zich een weg door de huizen wat “mouseholing” werd genoemd. De bunker werd gebombardeerd door Typhoon vliegtuigen en bestookt met PIAT granaten. Aangekomen bij de anti-tankmuur bij de Boulevard werd besloten om de ingang van de bunker met een explosief te vernietigen, hiervoor zou een vrijwilliger voor de bunker langs moeten rennen om het explosief voor de ingang te gooien. Voordat dit plan zou worden uitgevoerd verscheen er echter een witte vlag. 3 officieren en 54 manschappen werden gevangen genomen.
Alexandre Lofi vocht de rest van de Nederlandse campagne uit en eindigde de oorlog in mei 1945 met de rang van Officier des Équipages de 1ère Classe.
Alexandre Lofi besloot na de oorlog in de marine te blijven en had een opmerkelijke naoorlogse carrière. Hij vervulde onder andere de volgende functies:
Directeur van de marinecommando-opleiding in Algiers
Directeur van het centrum voor fysieke educatie van de marine (1948-1952)
Hoofd van het Hoofdkwartier van de Maritieme Prefectuur in Toulon.
In 1960 werd hij technisch adviseur en sportofficier bij de chef van de marinestaf in Parijs.
Hij ging uiteindelijk in 1970 met pensioen als Officier en Chef des Équipages (een rang vergelijkbaar met kapitein-luitenant terzee/commandant). Alexandre Lofi overleed op 75-jarige leeftijd op 7 maart 1992 in Cuers, departement Var, waar hij ook begraven ligt. In L’Hôpital is een plein naar hem vernoemd, waar tevens een monument ter nagedachtenis aan hem is opgericht. In 2024 is een monument geplaatst in Ouistreham. Voor zijn immense moed en leiderschap ontving Alexandre Lofi enkele van de hoogste militaire onderscheidingen uit zowel Frankrijk als het Verenigd Koninkrijk:
Compagnon de la Libération (de hoogste en zeldzaamste onderscheiding die Frankrijk kent, persoonlijk door De Gaulle uitgereikt op 17 november 1945)
Officier de la Légion d’Honneur (Legioen van Eer)
Commandeur de l’Ordre National du Mérite
Croix de Guerre 1939-1945 (met 3 palmen/vermeldingen)
British Army, Devonshire Regiment, 4 Commando, 3 Troop
Pierre Laux werd op 16 juni 1918 geboren in de gemeente Kayl, in het zuiden van Luxemburg. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en Luxemburg in mei 1940 door nazi-Duitsland werd binnengevallen, ontvluchte hij zijn vaderland en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen in Marokko.
In 1942 wist Pierre Laux zijn weg te vinden naar Londen. Hij ging in dienst bij het Britse leger en kreeg het servicenummer 13807764. Hij werd in eerste instantie ingedeeld bij het Devonshire Regiment, maar meldde zich al snel aan als vrijwilliger bij de elitetroepen: de British Commandos. Hij werd ingedeeld bij het befaamde No. 4 Commando.
Tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië trouwde hij met Hilda Laux, afkomstig uit Astley Bridge, een wijk in Bolton, Lancashire.
Pierre Laux behoorde tot de troepen die geschiedenis schreven op D-Day.
Op 6 juni 1944 landde hij met No. 4 Commando op Sword Beach in Normandië. De commando eenheid stond destijds onder bevel van de legendarische Lord Lovat en vocht samen met de Franse commando’s van Kieffer. Pierre Laux vocht mee in de zware strijd om de kuststad Ouistreham te bevrijden en overleefde de daaropvolgende, meedogenloze Slag om Normandië. 4 Commando keerde op 7 September terug naar Engeland.
Na 3 weken herstel en versterken vertrok 4 Commando naar Oostende en vervolgens naar het 8 dagen eerder bevrijde De Haan om mee te gaan doen met Operation Infatuate. Eerst moest Breskens bevrijd en gezuiverd worden, pas dan kon de aanval op Walcheren beginnen. Op 22 oktober was Breskens in geallieerde handen. Bij de dagelijkse oefeningen werden de commando’s vertrouwd gemaakt met de plattegrond van Vlissingen, die is opgedeeld in kleine sectoren, welke Engelse namen dragen zoals Dover, Bexhill, Eastbourne, Seaford, Brighton.
De voorbereidingen verliepen zo snel dat de commandant van het 4e Commando aan Pierre Laux en twee andere Luxemburgse commando’s, Jean en Antoine Neven, op 28 oktober een jeep en een Engelse chauffeur ter beschikking stelde en hun drie dagen verlof gaf zodat ze even naar huis konden.
Op 31 oktober verplaatste 4 Commando zich naar Breskens. De volgende nacht om 2 uur werden ze gewekt en om half 5 vertrokken de eerste landingsvaartuigen onder geallieerd spervuur richting Vlissingen. In de vroege ochtend van 1 november 1944 landde No. 4 Commando in de slijkhaven van Vlissingen. Pierre Laux zat in de derde landingsgolf en kwam aan om 06:30 onder hevig vuur van machinegeweren van FALMOUTH en 20mm kanonnen van BRIGHTON. 3 Troop (waar Laux deel van uitmaakte) was als eerste van het bruggenhoofd af en kreeg de taak om zo snel mogelijk op te rukken naar hun eerste doelwit, BRAEMAR (het Bellamypark).
De afstand tussen de landingsplaats en BRAEMAR werd snel afgelegd, via de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat omdat een Duitse pillbox met machinegeweer bij het Bellamypark de Nieuwendijk onder vuur nam. Het Bellamypark werd bereikt bij het eerste licht, 07:00 uur. Gunner Bill Harvey werd dodelijk getroffen toen hij vanuit de Nieuwstraat het Bellamypark wilde oversteken. Verder oprukken werd sterk belemmerd door Duitse stellingen op het Keizersbolwerk en pillboxen in de omgeving van het Bellamypark. Verschillende pillboxen en machinegeweerstellingen werden omzeild met uitzondering van één pillbox in de buurt van BRAEMAR.
Een aanvalsgroep van C-subsectie onder leiding van Sergeant Jackson werd losgemaakt van 3 Troop om dit mitrailleursnest uit te schakelen. Tijdens deze gevaarlijke frontale aanval op de bunker werd Private Pierre Laux bij de ingang van de stelling dodelijk getroffen.
Pierre Laux stierf als een van de vele helden tijdens de Slag om de Schelde. Hij was op dat moment 26 jaar oud. Vandaag de dag rust hij op het Bergen op Zoom War Cemetery, te midden van zijn strijdmakkers die eveneens hun leven gaven voor de bevrijding van Vlissingen.
Zijn naam is aangebracht op de Roll of Honour aan de muur van de Oranjedijk.
“Each name is a cry for peace” , Elke naam is een schreeuw om vrede.
Dit jaar organiseert de gemeente Vlissingen op zaterdagavond 5 september 2026 een Indiëherdenking op de Noorderbegraafplaats. Tijdens deze herdenking wordt de oorlogsgeschiedenis van voormalig Nederlands-Indië herdacht. Ook is er volop aandacht voor de daaropvolgende periode, de koloniale oorlog en de komst van de Molukkers naar Nederland nu 75 jaar geleden. De herdenking zal gehouden worden op de Noorderbegraafplaats te Vlissingen aan de President Rooseveltlaan 766 om 18.00 uur.
Het bestuur van onze stichting Oorlogsjaren in Vlissingen zal ook een krans leggen.
Programma: De plechtigheid begint om 18.00 uur en duurt tot ongeveer 18.45 uur. • Muziek door Vlijt en Volharding • Toespraak door burgemeester drs. A.R.B. van den Tillaar • Muziek door Vlijt en Volharding • Namens de Stichting Samenwerking Vlissingen Ambon spreekt mevrouw Thamara Batenburg, veteraan en kleindochter van een Moluks KNIL-officier • Muziek door Vlijt en Volharding • Voordragen van een gedicht namens de Indische vereniging Koempoelan • Twee minuten stilte • Wilhelmus door Vlijt en Volharding • Kranslegging
Maurice White, geboren op 27 december 1919, trad in dienst op 15 april 1940 op 20-jarige leeftijd. Hij werd op 28 juli 1941 opgeroepen voor het Suffolk Regiment, een regulier infanterieregiment van het Britse leger. Net als veel andere jonge mannen in die tijd koos hij er echter voor om zich vrijwillig te melden voor “gevaarlijke diensten”, de commando’s. Dit was geen lichte beslissing; het betekende dat hij zijn vertrouwde eenheid moest verlaten voor de zwaarste training die het Britse leger kende in het beruchte Commando Basic Training Centre in Achnacarry, in de Schotse Hooglanden.
Onder het bevel van luitenant-kolonel Charles Vaughan werd hij daar tot het uiterste gedreven met speedmarsen, man tot man gevechten, rotsklimmen en amfibische landingen. Na het succesvol afronden van de training verdiende hij het recht om de felbegeerde groene baret te dragen en werd hij ingedeeld bij No. 4 Commando, D-troop.
In de vroege uren van 6 juni 1944, D-day, was White onderdeel van de 1st Special Service Brigade (onder bevel van de beroemde Lord Lovat). No. 4 Commando, onder leiding van luitenant-kolonel Robert Dawson, had een specifieke en levensgevaarlijke missie. No.4 commando landde op Sword Beach , sector “Queen Red”, dicht bij Ouistreham.
Maurice White was de tweede man in zijn LCA maar de eerste die het strand bereikte. Toen de klep van het landingsvaartuig opende werd zijn vriend die voor hem stond gedood en viel met zijn gezicht naar beneden in het water. Maurice stopte om hem om te draaien voor het geval hij nog ademde, een daad waarvoor hij voor de krijgsraad had kunnen worden gebracht wegens plichtsverzuim.
Hij hielp mee met het uitschakelen van de Duitse kustbatterijen en de zwaar verdedigde bunker die was gebouwd op de plek van het voormalige casino in Ouistreham. Na het veiligstellen van Ouistreham trokken White en zijn kameraden landinwaarts. Hun doel was om verbinding te maken met de 6th Airborne Division bij de bruggen over de Orne en het kanaal van Caen (Pegasus Bridge).
Maurice zat op een gegeven moment gevangen achter vijandelijke linies en moest via Nederland een weg terug naar Engeland vinden, onderweg verborgen gehouden door Nederlandse families.
Na 82 dagen in Normandië werd No. 4 Commando teruggetrokken naar Engeland om te herstellen en zich voor te bereiden op een volgende, vitale operatie, Infatuate I. Maurice White was inmiddels naar Engeland gesmokkeld en voegde zich weer bij No.4 commando.
Op de vroege ochtend van 1 november 1944 voerde No. 4 Commando een amfibische frontale aanval uit op Vlissingen. De commando’s landden onder dekking van de duisternis en artillerievuur (vanaf Breskens) op Uncle Beach. 2 Troop, waartoe White behoorde, was een van de eersten die de modderige, gladde glooiing op klom. Zijn troop was verantwoordelijk voor het zuiveren van sector “Falmouth”, het gebied rechts van Uncle beach tot aan de sluizen.
Zonder de succesvolle aanval op Vlissingen door mannen als White, had de haven van Antwerpen niet bevoorraad kunnen worden en was de geallieerde opmars naar Duitsland in de winter van 1944-1945 ernstig vertraagd.
Maurice White overleed hij op 28 mei 2007. Hij werd begraven op 6 juni 2007, D-Day…
Adrian Alan Oliphant Kidston werd geboren in 1923 in Edinburgh. Schotland. Hij was de zoon van Brevet Colonel Robert Alexander Patrick Richard Kidston en Penelope Paul Kidston. Zijn vader was afkomstig uit een bekende zakenfamilie, werkte als aandelenhandelaar in Glasgow en was zelf ook militair commandant (onder andere van het 131st Field Regiment Royal Artillery).
Adrian genoot zijn opleiding aan het prestigieuze Fettes College in Edinburgh. Hij blonk daar niet alleen academisch uit, maar was ook een getalenteerde en veelzijdige student. Hij werd uiteindelijk benoemd tot “Head of House” en “Head of School”. Buiten de lessen was hij een zeer gewaardeerde speler in het rugbyteam, speelde hij cello en bezocht hij in zijn vrije tijd graag het theater.
In de herfst van 1942 begon Adrian de Officer Cadet Training aan de Queen’s University, Belfast en ging trainen in Catterick Garrison in North Yorkshire. Na zijn opleiding sloot hij zich aan bij het nieuw gevormde 1st Mountain Regiment omdat hij het altijd leuk had gevonden om in de “Arrochar Alps” in Schotland te klimmen. Hij werd ingedeeld bij het 452 Mountain Battery, 1st Mountain Regiment, 52nd Lowland Division, als Lieutenant met legernummer 304038. Het regiment was onderdeel van de Royal Artillery.
Begin 1944 ging het regiment naar Peterculter in de buurt van Aberdeen om te oefenen voor oorlogsvoering in bergachtig en besneeuwd gebied. Ze waren uitgerust met 3.7-inch houwitsers, speciaal ontworpen om in losse onderdelen op de ruggen van muilezels gedragen te worden. Omdat ze te weinig muilezels hadden gebruikten ze in plaats daarvan ezels. De soldaten leerden paard- en muilezelrijden en voegden vol trots de aanduiding “Mountain” toe aan de schouderemblemen op hun uniformen.
In de zomer van 1944 veranderde hun missie drastisch. Het regiment moest de (muil)ezels inruilen voor jeeps om als luchtlandingseenheid te gaan fungeren en ze verplaatsten zich naar het zuiden van Engeland. Aanvankelijk stonden ze stand-by voor een rol tijdens de luchtlandingen bij Arnhem maar dat ging uiteindelijk niet door.
Half oktober werd in allerijl het Engelse kanaal overgestoken, ze kregen een sleutelrol bij Operatie Infatuate, de geallieerde aanval op Walcheren op 1 november 1944. De 452 Mountain Battery kreeg de zware taak om nabije vuursteun (close support) te verlenen aan de 155 Brigade en het No. 4 Commando bij de verovering van de havenstad Vlissingen.
Op de vroege en mistige ochtend van 1 november scheepte de 452 mountain battery in vanuit de haven van Breskens. De inscheping in de tien landingsvaartuigen was zwaar en gevaarlijk. In het pikkedonker moesten de zware kanonnen via krakkemikkige, zelfgemaakte ladders vanaf een smalle steiger in de landingsvaartuigen worden neergelaten.
De Battery Commander, major John Fairclough, en second-in-command captain Vincent Cohen hadden ondertussen al met een met een kleine verkenningspartij Vlissingen bereikt. Hun berichten over sterke Duitse tegenstand vertraagde het vertrek van de 452 Battery tot na zonsopgang.
Al vanaf het begin van de circa 5 kilometer lange oversteek over de Westerschelde van de eerste vijf LCA’s kwamen ze onder zwaar vuur te liggen van een Duitse kustbatterij. Tijdens de landing om 11:15 werden ze tevens bestookt met machinegeweervuur, ondanks het rookgordijn bij Uncle Beach wat ze uit het zicht van de Duitsers had moeten houden. Vlak voor de aankomst op Uncle Beach
kreeg het landingsvaartuig waar Lieutenant Kidston in zat een voltreffer in de motor. Kort daarna volgde een tweede fatale voltreffer, waarschijnlijk van een 8.8 FLAK granaat, waardoor het vaartuig in brand vloog en zonk.
Lieutenant Adrian Alan Oliphant Kidston sneuvelde hierbij op slechts 21-jarige leeftijd. Samen met hem kwam onder meer Lance Bombardier William Mountjoy om het leven, terwijl een andere kanonnier, John Banborough, dodelijk werd geraakt door machinegeweervuur toen hij uit het brandende landingsvaartuig in het water probeerde te duiken. Sergeant Rogers, gewond in zijn dij, zwom naar de gewonde en uit het landingsvaartuig geslingerde gunner Oates toe om hem te redden. Rogers weigerde aan boord te gaan van een te hulp geschoten terugkerend landingsvaartuig totdat alle andere overlevenden waren opgepikt.
In eerste instantie werd Adrian Kidston geregistreerd als vermist (Missing Presumed Killed), maar al snel werd zijn dood in de strijd om de bevrijding van Vlissingen officieel vastgesteld.
Lieutenant Adrian Alan Oliphant Kidston staat vermeld op het familiegraf in het Hermitage Park in Helensburgh , Schotland. Hij word herinnerd op het Groesbeek Memorial bij Nijmegen, zijn naam staat daar vermeld op paneel 1.
… AAN WIE HET FORTUIN VAN DE OORLOG EEN BEKEND EN EERVOL GRAF WERD GEWEIGERD…
Adrian wordt ook herdacht op het herdenkingsmonument/Roll of Honour “Uncle Beach”, Oranjedijk, Vlissingen. https://oorlogsjarenvlissingen.nl/herdenkingen-monumenten/
Een van mijn “bezigheden” is het restaureren/verbeteren van oude foto’s van uiteenlopende onderwerpen, dat doe ik al jaren; van handmatig op de PC tot en met het gebruik van AI voor het inkleuren van historische foto’s.
Het begon serieus te worden toen ik het familiefotoarchief van mijn moeder ging digitaliseren, een paar schoenendozen vol…. Voor een van mijn zoons heb ik, als verjaardagscadeau, een lijvig boekwerk gemaakt over de 82nd Airborne divisie in de tweede Wereldoorlog, met vele foto’s.
Facebook is een bron van kennis en daar ben ik ook actief in diverse groepen die met oude foto’s te maken hebben. Daar kwam ik begin 2026 een bericht tegen van Stichting Oorlogsjaren Vlissingen; een ingekleurde foto van Franse commando’s waar heel wat commentaar op was.
Mijn interesse was gewekt, niet alleen omdat ik weinig wist van Vlissingen in de oorlogsjaren maar ook waarom de foto geplaatst was. Daar zag ik het belang van in. Zodoende lever ik wel eens een bijdrage, gerestaureerde foto’s (al dan niet ingekleurd) met een bijbehorend verhaal, hier komt ook weer het onderzoeksaspect naar boven.
Deze reeks foto’s van de Franse commando Guy Vourc’h is ook zo’n bijdrage. Herinneren, herdenken en vooral niet vergeten wat zij voor ons gedaan hebben. Het zijn dan ook bijzondere, gerestaureerde historische foto’s. De Zeeuwse Bibliotheek heeft toestemming verleend voor plaatsing van de foto’s, die in hun Beeldbank staan en de restauratie met als bronvermelding Vourch, G., Collectie Foto’s, ZB Beeldbank Zeeland. Een deel van de foto’s staan ook op de Beeldbank van het Zeeuws Archief. Een paar foto’s zijn afkomstig uit het Publiek domein (onbekend).
Van de restaurateur historische foto’s WOll, Danny Corstens.
Duitse krijgsgevangenen onder begeleiding van Franse commando’s van No4 Commando eenheid onder aan Oranjedijk, Marinestraat.
2
Duitse krijgsgevangenen onder bewaking van Franse commando’s in de Oranjestraat.
3
Gevangengenomen Korvettenkapitän Otto Würdemann, de Hafencommandant Vlissingen.
4
Op de Duitse troepen veroverde vlammenwerper.
5
Duitse krijgsgevangenen aan het werk nabij het Arsenaal.
6
Commando Yves Vourc’h broer van Guy, de fotograaf.
7
Franse commando’s van de no. 4 commando bij landingsplaats Uncle Beach achter Oranjemolen; v.l.n.r. André Foliot , Guy de Montlaur, Guy Hattu en Jacques Senée.
8
Lt. Guy de Montlaur met deel 6 Troop voor de Oranjemolen.
Roger Caron, Joseph Madec en Albert Meunier bij de Oranjemolen.
12
LCA en LVT blijven versterkingen en munitie ontschepen, 3-11-1944.
13
landingsplaats Uncle Beach achter Oranjemolen.
14
gezonken landingsboten bij Uncle Beach achter Oranjemolen.
15
Na bevrijding, omgeving landingplaats Uncle Beach achter Oranjemolen.
16
LCA van kapitein Rewcastle die aan de andere kant van de steiger terecht kwam waar de rest van de commando’s landden. Op de dijk bunker en houten uitkijktoren zichtbaar.
17
Paalhoofd voorzien van explosieven bij Uncle Beach.
18
landingplaats Uncle Beach bij slijkhaven achter Oranjemolen 3-11-1944.
19
landingsplaats Uncle Beach; Franse commando officier van no.4 commando ltn. Montlaur.
20
van explosieven voorzien paalhoofd bij Uncle Beach achter Oranjemolen.
21
Guy Hattu, René Lachèvre en Jacques Sénée naast Britse kameraden en een Nederlandse burger nabij Betje Wolfplein ter hoogte van bakkerij Speckens.
22
Franse commando’s van de No. 4 Commando op het Betje Wolffplein, pand drogisterij de Vijzel, lopend richting oprit Coosje Buskenstraat.
23
Franse commando’s van de no. 4 commando in Coosje Buskenstraat.
24
Verkenning van gat in de Nolledijk.
25
Franse commando`s van No. 4 Commando in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
26
Engelse radio operator in Buffalo op weg naar Dishoek.
27
Franse commando`s in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
28
Franse commando`s in Buffalo`s op weg naar Dishoek.
29
Nederlands commando’s van no. 4 , van Gelderen, van Woerden, Persoon en De Ruiter bij gebouw waterleidingbedrijf.
30
Nederlands commando’s van no. 4 bij capitulatie van Walcheren 8-11-1944.
31
bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
32
bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
33
bewoners van waterwinbedrijf Oranjezon Vrouwenpolder 8-11-1944.
34
Duitse krijgsgevangenen bij waterwingebied Oranjezon; (Franse commando die in Vietnam omkwam tijdens de gevechten bij de Franse versterking Dien Bien Phoe).
35
Duitse krijgsgevangenen in de duinen bij Vrouwenpolder.
36
buitgemaakte Duitse helmen en wapens bij Vrouwenpolder.
37
Franse commando van no. 4 commando aan strand Vrouwenpolder.
38
Duitse geschutsbunker type 676 aan het strand Oostkapelle met Franse commando van Nr. 4 commando.
39
Franse Commando’s in Oostkapelle(?) gewapend met o.a. de Sten Gun.