Oorlog herdenken is oorlog voorkomen

Categorieën
Research

Uit de memoires van François Marie Camille Andriot

… Na de slag om Normandie keren we op 8 september terug in Petworth voor een aantal weken verlof en weer op sterkte te komen. We vernemen dat het 4e Commando de 1e Brigade verlaat en zich bij de 4e Brigade voegt met het oog op toekomstige operaties. De machinegeweersectie wordt ontbonden en ik word geplaatst in 5 troop onder bevel van Kapitein Lofi, een inwoner van Lotharingen die het bevel voerde over de Fransen in Normandië toen Kieffer gewond raakte. Ik lever mijn K-Gun in en krijg in ruil daarvoor een Thompson-pistoolmitrailleur, de Tommy-Gun. Ik ben nu verkenner in sectie 1 onder bevel van Luitenant Chausse en dat is heel ander werk. 

We ontvangen onze winteruitrusting en lijken op para’s met onze camouflagejassen. Op 4 oktober vertrekken we naar Tilbury, aan de Theems, bijna tegenover Dartford. Vanaf dan helaas geen verloven meer. We wachten om in te schepen en twee dagen later is het zo ver, we schepen in op een LCT naar de Noordzee. Nogmaals vaarwel aan Engeland en voor hoelang…? De oorlog is nog niet voorbij en de geallieerde opmars is gestopt omdat de bevoorrading niet volgt, aangezien de konvooien de Schelde niet op kunnen varen naar Antwerpen.

Het is niet erg mooi weer en de zee is onstuimig als we ’s avonds de Belgische duinen in zicht krijgen. We ontschepen de volgende ochtend in de ruïnes van wat de haven van Oostende was. De Duitsers hebben systematische vernielingen aangericht en alles volledig gemijnd. Maar de Engelsen werken hard om alles weer op orde te krijgen.

Vrachtwagens brengen ons naar Coq sur Mer, Den Haan in het Vlaams, zo’n vijftien kilometer van Oostende. De twee Franse troepen en twee Engelse troepen van het 4e zijn daar gestationeerd, evenals het hoofdkwartier. De frontlinie is zo’n zestig kilometer bij ons vandaan en we kunnen ’s nachts de kanonnen horen. We zijn geïnstalleerd in de hotels en ik deel een kamer met Félix Grispin.

Het leven in Den Haan is redelijk comfortabel, maar we eten niet erg goed, altijd blikvoer en biscuits. Gelukkig gaan we vaak naar Oostende met de elektrische trein die de kust volgt. Daar zijn bioscopen en we zijn in staat om de smaak van zeevruchten weer te pakken te krijgen in een restaurant, moules marinière, enz.

De training is vooruitstrevend en stelt ons in staat om ons snel weer aan te passen en onze conditie van voor 6 juni terug te krijgen. Ik ben nog steeds een goede hardloper en ben derde in de veldloop van heel N°4. De militaire training is zeer betekenisvol, aanvallen op versterkte posities met scherpe munitie, veel mortiervuur, alle automatische wapens. We leren ook omgaan met Bangalores, lange stalen buizen gevuld met explosieven die worden gebruikt om een doorgang te maken in prikkeldraadnetwerken. We beseffen dat we tegen willekeurige versterkte posities gebruikt zullen gaan worden.

Aan het begin van de laatste week van oktober nemen we deel aan oefeningen en worden we vervoerd in LVT’s, rupslandingsvoertuigen die zich net zo goed in het water als op het land op hun gemak voelen en gewapend zijn met een 20mm kanon. De britten noemen ze “Buffalo’s”.

Op 25 oktober bouwt de genie een barrière van prikkeldraad rond onze hotels en we weten wat er gaat volgen… We kunnen nog steeds de hotels uit, maar op 29 oktober worden er schildwachten om ons heen geplaatst en zijn we opgesloten zoals in de buurt van Southampton. Veiligheid vóór een grootschalige actie.

In de namiddag van 29 oktober wordt onze sectie naar het hoofdkwartier geroepen voor  instructies. Kolonel Dawson en commandant Kieffer leggen ons het doel van de operatie uit: een grootschalige landing in de stad Vlissingen, in Nederland, om het garnizoen te vernietigen en het eiland Walcheren te zuiveren, samen met de drie andere eenheden van de brigade die ten noorden van Vlissingen zullen landen, aan de westkust van het eiland bij Westkapelle.

Het gaat er in de eerste plaats om de geschutstellingen op het eiland, die de Schelde blokkeren om naar Antwerpen te varen, uit te schakelen. De geallieerden hebben de haven van Antwerpen immers nodig voor de bevoorrading. Maar de enige landing in een stad vóór ons was die in Dieppe… en we weten hoe dat is afgelopen.

Maar dit is geen raid, het eiland wordt verdedigd door de Duitse 70e Divisie, versterkt met elementen van de 64e, misschien wel 9.000 man sterk volgens de inlichtingendienst, en de verdedigingswerken van de stad zijn formidabel. Maar wij zijn commando’s en het moreel van de Duitsers is niet al te best.

Over het algemeen moet de gehele 4e Brigade landen bij het aanbreken van de dag op 1 november. No. 4 in Vlissingen en de rest, No. 46, 47 en 48 van de Royal Marines, in Westkapelle. Na het zuiveren van hun sectoren moeten ze samenkomen om het hele eiland te bevrijden.

Het moet gezegd worden dat het eiland overstroomd is, aangezien de RAF de dijken op meerdere plaatsen heeft gebombardeerd. Alleen de duinen en enkele andere delen liggen nog droog, waaronder een groot deel van Vlissingen. No. 4 heeft de zwaarste taak gekregen: 3.000 Duitsers in hun vestingwerken in Vlissingen. Een Schotse brigade moet na ons in Vlissingen landen en ons ondersteunen.

We hebben net de eerste post van onze families uit Frankrijk ontvangen en het nieuws is niet voor iedereen even goed! Op de avond van de 29e schrijven we onze laatste brieven voor de hele familie. Na onze ervaring in Normandië weten we heel goed dat onze overlevingskansen vrij klein zijn, en zelfs zéér klein als we in november in het water van de Schelde zouden belanden.

De laatste dag wordt doorgebracht met voorbereidingen, munitie, kleine waterdichte doosjes met noodrantsoenen, het schoonmaken van de wapens en de granaten. We hebben ook veel explosieven bij ons, zodat we van het ene huis naar het andere kunnen doorbreken zonder onder vijandelijk vuur naar buiten te hoeven.

We zijn op 31 oktober om 04:30 uur ’s ochtends op en eten een stevig ontbijt. Om 09:00 uur verlaat het konvooi dat ons vervoert Coq sur Mer. Om 15:00 uur zijn we in Breskens, in Nederland, tegenover Vlissingen, na een trage reis door het bevrijde België. We trekken door het toneel van de recente gevechten en de stad Breskens is bijna volledig verwoest; de lijken liggen overal onder het puin. De gevechten tussen de Canadezen en de Duitsers waren hevig, maar men moest de stad innemen voordat men de aanval op Walcheren kon inzetten.

We zien ook talloze graven van Franse soldaten die in 1940 gesneuveld zijn tijdens de opmars van het Leger-Giraud in mei. Voor het vallen van de avond gaan we naar de haven van Breskens, waar onze landingsvaartuigen gecamoufleerd zijn onder netten, en we weten waar we heen moeten bij het vertrek. We kunnen de gebouwen aan de overkant van het water in de mist zien. Het is nooit zonder emotie dat we denken aan een naderende actie. Even later gaan we meer voorraden halen en horen we granaten op de haven vallen. De Duitsers zijn op hun hoede en we voelen ons al helemaal in de sfeer van de strijd. Dit is vooral het geval wanneer we gedwongen worden plat op onze buik te gaan liggen als er enkele granaten in onze directe omgeving inslaan.

Ik heb me geïnstalleerd in de eetkamer van een half verwoest huis en bevind me vlak bij het raam. Na een goede maaltijd wikkelen we ons in onze deken en proberen we in slaap te vallen. Dat duurt echter niet lang; bij het vallen van de avond opent de Canadese artillerie het vuur op Vlissingen. Acht artillerieregimenten concentreren hun vuur, waaronder de zware artillerie. Achter ons, niet ver weg, bulderen de 155mm *Long Toms* woest en de lucht is verlicht… Het weer is onzeker, licht mistig. Soms horen we vliegtuigen en de explosies van bommen. We kunnen alleen maar denken aan de burgerbevolking die schuilt in de kelders van de stad.

Om 3 uur ’s nachts, op 1 november, zijn we op, gewekt door onze officieren, en eten we een paar happen, niet veel want ons hart is er niet bij! We maken ons klaar voor de strijd, zonder natuurlijk onze reddingsvesten te vergeten! Om 4.30 uur schepen we in, in volledige duisternis en stilte. We zijn met 30 man per landingsvaartuig, LCI’s, de kleinste, en we zitten in drie rijen van tien. Ik zit in de middelste rij, mijn machinepistool tussen mijn benen. 

Enkele Mosquito’s van de RAF laten bommen vallen op de bunkers van Vlissingen, waardoor de lucht voor ons verlicht wordt. We doen ons best om het ons zo comfortabel mogelijk te maken. Het landingsvaartuig deint een beetje op het water. De commando voor me is zijn gebeden aan het zeggen… Hij zal zich na de landing verstoppen in een lege bunker, de arme drommel. 

De twee motoren starten en we verlaten al snel Breskens. Geen ander geluid dan de 155mm kanonnen van de Canadezen die op de stad vuren en de explosies in de stad zelf. Onze landingsvaartuigen zigzaggen om een minder gemakkelijk doelwit te vormen voor eventuele bemande torpedo’s.

Plotseling horen we het gefluit van kogels en we maken ons zo klein mogelijk achter de reling, de lichtkogels komen onze kant op… de Moffen zijn alert. De strijd is begonnen en we kunnen in de gloed van de branden duidelijk de silhouetten van de gebouwen zien.

Ons vaartuig vangt een paar kogels op en onze stuurman raakt gewond aan zijn schouder, maar blijft desondanks op zijn post en brengt ons naar de kust. Het vuur van de automatische wapens is behoorlijk hevig en één van de motoren wordt geraakt door een 20mm granaat. We botsen zonder schade tegen een ander landingsvaartuig aan het einde van een lange steiger. We zijn nu beschut tegen de automatische wapens en de kogels vliegen over ons heen.

We meren aan bij een rotsachtige dijk en het vaartuig opent zijn deuren. We rennen zo snel mogelijk naar grote houten hekken, waarvan we weten dat ze mogelijk gemijnd zijn. Heel snel klimmen we eroverheen en springen we aan de andere kant eraf om naar de top van de dijk te klimmen.

Ik zie de eerste gevangenen, erg bleke gezichten boven hun groene uniformen. Ze zijn heel snel uit hun bunker gehaald en kijken stomverbaasd als ze ons zien. We wachten een klein momentje, op een rij in een smal straatje. De granaten van onze artillerie vallen onophoudelijk op een kleine honderd meter van ons vandaan, voor onze bescherming. De stad is in een raster verdeeld en alles is genummerd, zodat we de artillerie heel snel kunnen aanvragen en precies waar we die nodig hebben.

Kapitein Lofi stuurt me vooruit om wat op verkenning uit te gaan, en het enige wat ik hem kan vertellen is dat er een Duitse officier op slag gedood is terwijl hij probeerde een kelder in te vluchten, en je ziet alleen nog maar zijn leren broek! Meer heb ik niet gezien. 5 troop trekt voorzichtig verder, een sectie aan elke kant van de straat, glurend naar alle ramen en deuren. We maken enkele gevangenen.

Maar al snel worden we gestopt door vijandelijk vuur, en het is onmogelijk om verder op te rukken, want de Moffen gooien granaten naar ons vanuit de ramen. Drie mannen raken lichtgewond.

We trekken ons wat terug en schuilen in de kelders, waar we in direct contact staan met de bevolking, van wie sommigen een beetje bang zijn voor onze vuile gezichten en agressieve houding. Al snel gaan we weer naar buiten en hervatten we de opmars richting Boulevard de Ruyter. De Duitsers moeten zich hebben teruggetrokken in hun kazerne, vlakbij waar wij zijn. De boulevard is erg breed en wordt bestreken door het vuur van een vierloops 20mm kanon.

De andere Franse troop moet oversteken om bij hun doelen te komen en lijdt verliezen, doden en gewonden. We brengen de middag door in een huis, van waaruit we de grote bunker bovenaan de boulevard observeren, en onze sluipschutters vuren op de bedieners van het 20mm vierloopskanon.
Tegen het einde van de middag trekken we ons terug op een stevige verdedigingslinie om de nacht door te brengen. We proberen wat rust te pakken tussen de wachtdiensten door en ik kan je verzekeren dat we één en al oog en oor zijn. De hemel wordt verlicht door de branden in de stad en we horen het gekraak van brandend hout.

In de ochtend rukken we op naar de posities die de vorige dag waren ingenomen en onze sectie krijgt het bevel om de brede straat over te steken om verder omhoog te gaan, net als de andere sectie. We steken over zonder te worden lastiggevallen, misschien door het verrassingseffect, want ik kan u verzekeren dat we heel hard rennen.

We komen aan in een grote school die is omgebouwd tot kazerne en ontvangen enkele geweerschoten en een granaat, de vijand trekt zich voor ons terug. We vinden voorraden wijn, tabak en diverse sterke dranken en we vullen onze veldflessen en zakken. Het vuur van het 20mm-geschut is weer begonnen en het is onmogelijk voor ons om in de straat verder te komen. Dit is waar onze explosieven van pas komen. We gaan van huis tot huis en het is een erg trage opmars, omdat we nooit weten wat we in het huis zullen aantreffen na de explosie. We lopen door een juwelierszaak zonder iemand te zien; uiteraard verstoppen de bewoners zich in de kelders.

Tijdens de middag moeten we ons even terugtrekken om de Typhoons van de RAF de kans te geven raketten op de bunker af te vuren, wat ze zeer behendig doen zonder ons te raken! We hervatten onze opmars, naderen tot op ongeveer dertig meter en bevinden ons achter een grote antitankmuur. De andere sectie is op dezelfde manier aan de andere kant opgerukt. We gooien zes granaten naar de andere kant en voegen ons bij de andere sectie in een groot gebouw dat uitkijkt op de bunker.

We hebben de kanonnen en de artilleristen uitgeschakeld. De nacht valt en de Moffen zwaaien met een witte vlag, precies op het moment dat we een holle lading op de deur wilden plaatsen om deze op te blazen. Een dertigtal mannen komt naar buiten, handen in de lucht, lijkbleek van angst. In totaal maken we ongeveer vijftig krijgsgevangenen.

We bezetten de bunker en houden de vijand in de gaten, die zich op ongeveer tweehonderd meter van ons heeft ingegraven, richting Hotel Britannia, het vijandelijke hoofdkwartier. Een collega en ik worden naar de nabijgelegen huizen gestuurd. Terwijl we oversteken, opent de vijand een hevig vuur met automatische wapens en 20mm-geschut. We drukken ons letterlijk plat tegen de grond en de lichtspoorpatronen vliegen vlak over ons heen. Een moment van grote angst, want het scheelde maar een haartje…

We gaan een groot huis binnen en worden door niemand opgewacht… maar de Duitsers bevonden zich blijkbaar op de bovenverdiepingen en hebben zich niet verroerd totdat ze zich even later overgaven. Ze hadden granaten naar ons kunnen gooien… of zich aan ons kunnen overgeven.

Alles is nu rustiger en we hopen op een goede nachtrust, maar de generaal die de leiding heeft over de expeditie heeft andere ideeën. Hij wil N°4 gebruiken voor een aanval over zee op de artilleriebatterijen ten noordwesten van Walcheren. Onze kolonel, Robert Dawson, laat hem weten dat we niet in staat zijn om een dergelijke operatie te ondernemen na de landing en twee dagen van gevechten in Vlissingen. Gelukkig begrijpt de generaal dit en blijven we in de stad.

De gevechten zijn voorbij en we zien honderden Duitsers marcheren om zich aan ons te overgeven, met de admiraal en officieren voorop. We zijn ook getuige van de vernietiging van de laatste verzetshaarden aan de rand van de stad door de Rocket-Typhoons van de RAF.

We hebben de kans om de bagage van de gevangenen te doorzoeken en ik verzamel een klein bedrag aan geld dat goed van pas zal komen bij onze terugkeer naar De Haan om heerlijk te gaan eten in Oostende en Brugge.

In de ochtend van 4 november marcheren we tot in de buurt van de grote bres en de dijk ten noorden van Vlissingen. We moeten wachten tot het vloed is en we schepen in de “Buffalo’s” om over te steken in tamelijk sterke waterstromingen.

We beginnen dan aan een zeer slopende mars over wegen en ook door het zand om ons bij de rest van de brigade te voegen. We slapen in de gebouwen van een verlaten hotel waar geen glas meer in de ramen zit.

Op de 5e rusten we de hele dag, maar we horen het geluid van de strijd in het noorden van het eiland. De 6e, weer een lange mars en we komen aan in Domburg, waar we opnieuw slapen in een hotel dat aan alle winden is blootgesteld, en we zijn in november. Maar de nacht is kort want we worden rond 3 uur ’s nachts gewekt en moeten ons klaarmaken voor het gevecht. We moeten de laatste grote vijandelijke stelling in het noorden van het eiland aanvallen.

Onderweg in de vroege ochtend maken we enkele krijgsgevangenen, die niet erg zeker meer zijn van wat hen te wachten staat, want ze hadden bevel gekregen om alle commando-gevangenen te doden. Eén van hen wil me zelfs zijn horloge geven… en ik wijs hem af. Er vallen enkele mortiergranaten in de buurt. Maar we zullen vandaag niet vechten, de Duitsers hebben er genoeg van en geven zich over. 3.000 gevangenen marcheren langs ons en gooien hun wapens neer. Ik word de eigenaar van een 6.35mm revolver.

’s Avonds nemen we onze intrek in Vrouwenpolder, alweer in een hotel. Ik koop een kip van een paar goede mensen en kook hem. We blijven in dit dorp tot 14 november en ’s ochtends schepen we in op de ” Buffalo’s ” om naar Middelburg, de hoofdstad van de provincie Zeeland, vervoerd te worden. We lopen nog eens 10 km om eindelijk in vrachtwagens te stappen en in de buitenwijken van Antwerpen aan te komen, waar we iets te eten krijgen en de nacht doorbrengen. Op de 15e, halverwege de dag, zijn we terug in De Haan waar we een tiental dagen blijven en uitrusten.

Het is in deze periode dat we het geld dat we op de moffen hebben buitgemaakt, gebruiken om onszelf op goede maaltijden te trakteren.

Op 25 november stappen we in vrachtwagens om onze verdedigingsposities in te nemen op de Zeeuwse eilanden. We brengen de nacht door op een boerderij vlakbij Goes, in Holland, en komen aan in het kleine dorpje Kats, op het eiland Noord-Beveland, waar 5 Troop is ingekwartierd. De vijand is heel dicht bij ons op het eiland Schouwen, waarvan we de kust kunnen zien.

We zijn in “billet” (ingekwartierd) per twee in de huizen van het dorp, maar de bewoners geven ons alleen een slaapplaats omdat we onze eigen keuken hebben. Ik logeer opnieuw samen met Félix en we verblijven bij de slager, meneer Klaassen, die een groot gezin heeft, en zijn vrouw, Tina. We klimmen met een ladder naar de zolder, waar we slapen. Het is niet warm in Holland, maar we zijn erin geslaagd om acht dekens te verzamelen en liggen dus redelijk comfortabel voor de nacht. ’s Ochtends wassen we ons met overvloedig water in de tuin, koud water en soms in de sneeuw, leve de gezondheid!

Het No. 4 Commando, met enkele veldartillerie- en luchtafweereenheden, bewaakt het eiland tegen elke vijandelijke inval. Af en toe zijn er artillerieduels en de bewoners kruipen onder hun bedden, want er zijn geen kelders in de huizen hier… Overdag patrouilleren we en ’s nachts bemannen we wachtposten langs de dijken. We hebben een plek waar we vuur hebben en kunnen slapen tussen de wachtdiensten door, maar de wachten in het donker op de dijk, helemaal alleen, zijn niet de favorieten. We verzamelen bergen mosselen en koken ze in koektrommels, zonder wijn natuurlijk, en zonder knoflook…

We zien de V1’s passeren en ook de V2-raketten vertrekken. We moeten de tijd en de richting met het kompas noteren zodat ze gebombardeerd kunnen worden. We brengen Kerstmis 1944 door in Kats en worden door de gemeente en de bewoners uitgenodigd voor twee maaltijden. De arme mensen hebben niet veel want het land is geplunderd door de Duitsers, maar we zijn hen dankbaar voor hun gastvrijheid. De slager nodigt ons elke zondag uit om met zijn familie te eten en we leren varkensbraadstuk eten met appelmoes, een beetje zoals het Chinese “sweet and sour”.

Voor mij is dit de derde Kerstmis ver weg van de familie en, hopelijk de laatste, want we kunnen het einde van de oorlog in zicht zien, of dat geloven we althans. Sinds begin november komen de brieven uit Chaumont regelmatig aan en het contact is goed hersteld. Ze zijn erg verrast om mij bij de Commando’s te zien en te horen dat ik op 6 juni ben geland en de veldtocht in Normandië heb meegemaakt. Misschien dachten ze dat ik niet wilde gaan vechten…

Categorieën
Research

1163FN43  François Marie Camille Andriot

François Andriot werd geboren op 14 juli 1921 (op de Franse nationale feestdag) in Chaumont (Haute-Marne), als zoon van een drukker. In zijn jeugd was hij een actief lid van de JOC (Jeunesse Ouvrière Chrétienne), een organisatie voor christelijke arbeidersjongeren.

Toen hij in oktober 1942 door de Duitse bezetter werd opgeroepen voor de STO (Service du Travail Obligatoire), wat dwangarbeid in nazi-Duitsland betekende, weigerde hij gehoor te geven. Samen met zijn vriend Charles Husson besloot hij Frankrijk te ontvluchten om zich aan te sluiten bij de Vrije Franse Strijdkrachten. Ze staken de Pyreneeën over maar werden in Spanje opgepakt en maandenlang gevangen gezet in Spaanse kampen, een lot dat veel vluchtelingen destijds trof.

Na hun vrijlating in mei 1943 slaagden Andriot en Husson erin om Groot-Brittannië te bereiken. In juni 1943 tekenden ze officieel hun contract bij het Vrije Franse leger. Husson koos voor de parachutisten, Andriot besloot zich bij de marine-infanterie te voegen.

Hij meldde zich als vrijwilliger aan bij het 1er Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), beter bekend als het “Commando Kieffer”. Hij kreeg stamboeknummer 1163 FN 43 (FN staat voor Forces Navales, 43 voor het inschrijvingsjaar 1943) en commando-badge nummer 184. Binnen deze elite-eenheid werd Andriot ingedeeld als soldaat bij de  K-gun sectie die verantwoordelijk was voor het bieden van dekkingsvuur met Vickers-mitrailleurs.

Op 6 juni 1944 schreef Andriot geschiedenis. Hij was één van de 177 Fransen in Britse uniformen die, samen met het Britse No. 4 Commando, op Sword Beach (bij Ouistreham) landden. Tijdens de zware gevechten in de straten van Ouistreham leverden Andriot en de K-Gun sectie essentiële vuursteun. Zo vochten ze hevig mee tijdens de inname van een zwaar verdedigde bunker die door de Duitsers in het voormalige casino was gebouwd. Bijzonder is dat hij de gehele, uiterst bloedige Slag om Normandië wist door te komen zonder gewond te raken, wat een zeldzaamheid was binnen het Commando Kieffer.

Andriot bleef meestrijden tijdens de verdere bevrijding van Europa. Op 1 november 1944 was hij, inmiddels overgeplaatst naar 5 Troop onder no.4 commando, actief tijdens operatie Infatuate I. 

Na de Tweede Wereldoorlog keerde Andriot niet terug naar Frankrijk, maar vestigde hij zich in Groot-Brittannië, het land van waaruit hij de bevrijdingsstrijd was gestart. 

Door de complexe politieke nasleep van de oorlog en de houding van de toenmalige Franse regering onder generaal De Gaulle, duurde het lang voordat de mannen van het Commando Kieffer de erkenning kregen die ze verdienden. Die erkenning kwam voor François Andriot uiteindelijk op 6 juni 2004. Tijdens de 60ste herdenking van D-Day ontving de toen 82-jarige Andriot op het strand van Ouistreham eindelijk de medaille van Chevalier de la Légion d’honneur. Tien jaar later, in oktober 2014, werd hij bevorderd tot Officier de la Légion d’honneur. Dat gebeurde in zijn woonplaats Wigmore omdat hij de reis naar Ouistreham niet meer aan kon vanwege zijn leeftijd.

François Andriot overleed op 8 februari 2016 op 94-jarige leeftijd in zijn woonplaats Wigmore, in het zuidoosten van Engeland.

Categorieën
Research

Dirk van der Wal

Dirk van der Wal werd geboren op 14 juli 1917 in Zuidland, een dorp op het eiland Voorne-Putten in de provincie Zuid-Holland. Hij groeide op als zoon van J.A. van der Wal en Pietertje Weeda en was de oudste broer in het gezin. Eind dertiger jaren ging Dirk het leger in omdat hij vreesde voor de invloed die Hitler in Europa begon te krijgen. 

Op 10 mei 1940 is hij met enkele maten met een vliegtuigje Nederland ontvlucht naar Engeland.Dirk van der Wal werd het jaar daar op ingedeeld in de Koninklijke Nederlandse Brigade Prinses Irene. Deze eenheid werd in 1941 in Engeland opgericht en bestond uit Engelandvaarders, geëvacueerde militairen en Nederlanders uit overzeese gebiedsdelen. Ze werden vooralsnog echter niet ingezet voor acties op het vaste land tegen de Duitsers.

Toen de Britse krijgsmacht in 1942 vrijwilligers zocht voor nieuw op te richten geallieerde Commando-eenheden, meldde een groep mannen uit de Prinses Irenebrigade zich aan, onder wie Van der Wal. Op 22 maart 1942 vertrokken zij naar Achnacarry ,Schotland om daar de zware Commando Basic Training te volgen. Hier onderging Van der Wal een van de zwaarste militaire opleidingen ter wereld: speedmarsen met zware bepakking, overleven in de wildernis, man-tegen-mangevechten en amfibische landingen. Het trainingskamp stond onder leiding van de beruchte Britse luitenant-kolonel Charles Vaughan, wiens meedogenloze trainingsfilosofie simpel was: “Alles gebeurt hier in de looppas. Wij kennen de gewone pas niet, behalve ik.” Wassen, eten, trainen en overleven in de bittere kou. Alles ging op topsnelheid en onder extreme druk. Na het voltooien van deze training ontving hij de felbegeerde groene baret.

Op 25 juni 1942 werd van der Wal samen met vierentwintig Nederlandse commando´s overgeplaatst naar het Schotse plaatsje Troon. Hier werd onder het bevel van reserve eerste-luitenant P.J. Mulders No.2 (Dutch) Troop officieel opgericht, onderdeel van het fameuze No. 10 (Inter-Allied) Commando met als thuisbasis Porthmadog in Wales.

Op 31 mei 1943 verhuisde van der Wal met No.2 (Dutch) Troop en de andere onderdelen van No.10 (Inter Allied) Commando naar de Engelse badplaats Eastbourne, wat tot het eind van de oorlog de thuisbasis zou blijven van deze internationale eenheid. 

In december 1943 werd, op aandringen van luitenant Linzel en Prins Bernhard, besloten om No.2 (Dutch) Troop samen met een Britse commandobrigade in het Verre Oosten in te zetten. Een aantal Nederlandse commando´s stond bepaald niet te springen om naar Azië af te reizen, zij wilden liever tegen de Duitsers vechten om het vaderland te bevrijden. In januari 1944 arriveerden de commando’s in Brits-Indië. Slechts vijf commando’s mochten mee vechten in Birma tegen de Japanners, van der Wal zat daar niet bij. Hij heeft daar ongeveer een half jaar gezeten en zich rot verveeld met patrouilles lopen. Ondanks de mooie beloftes heeft hij geen enkele gevechtshandeling mogen verrichten. Omdat de invasie in Europa nabij leek wilden de commando’s terug, ze kwamen op 15 augustus 1944 aan in Engeland.

Tijdens Operatie Market Garden werd de No. 2 (Dutch) Troop opgesplitst in kleine detachementen. Omdat zij de taal spraken en de cultuur kenden, werden zij als liaisons (verbindingsofficieren), verkenners en tolken toegevoegd aan de grote geallieerde luchtlandingsdivisies.

Dirk van der Wal, inmiddels sergeant-commando,  werd toegevoegd aan de befaamde 101ste US Airborne Division (Screaming Eagles). Op 17 september 1944 nam hij deel aan de massale luchtlanding. In tegenstelling tot de parachutisten landde Van der Wal per zweefvliegtuig, in de omgeving van Son (Noord-Brabant). Het doel van de 101ste Airborne was het veroveren van de bruggen bij Son, Sint-Oedenrode en Veghel om zo de opmarsroute (Hell’s Highway) voor het Britse 30e Legerkorps open te houden. De Duitsers bliezen echter de brug over het Wilhelminakanaal op, net voordat de geallieerde soldaten, waaronder Van der Wal, deze konden veroveren. Als Nederlandse commando tussen de Amerikanen had Van der Wal een cruciale taak. Hij legde direct contact met het lokale Nederlandse verzet, ondervroeg Duitse krijgsgevangenen voor snelle inlichtingen, begeleidde Amerikaanse patrouilles door onbekend terrein en hielp bij het ontdekken van Duitse hinderlagen. Op 11 oktober 1944 kwamen de restanten van No.2 (Dutch) Troop, er waren een aantal commando’s gesneuveld en gevangen genomen, bijeen in Eindhoven. Kapitein Linzel legde hen de keuze voor om rust te nemen of aan een nieuwe actie deel te nemen. De vermoeide commando’s kozen voor de laatste optie.

Op 1 november 1944 begon Operatie Infatuate I, de amfibische aanval op Vlissingen. Elf Nederlandse commando’s, waaronder van der Wal,  werden daar ingezet. Dit keer zij aan zij met de Britse en Franse commando’s van No. 4 Commando. Van der Wal was als TCM (Troop Sergeant Major) ingedeeld in KEEPFORCE, de “advance reconnaissance party”, die in twee LCP’s (Landing Craft Personel) als eerste moesten landen om  het landingsgebied vrij te maken, te markeren voor de troepen die zouden volgen en een bruggehoofd op te stellen. Na de landing vocht van der Wal zich een weg door de straten van Vlissingen. Er werd van huis tot huis en van bunker tot bunker gevochten. De Nederlandse commando’s raakten drie dagen lang verzeild in felle straatgevechten maar wisten, met slechts twee gewonden en met behulp van andere commando-eenheden, Vlissingen op 3 november te bevrijden. Dit maakte de weg vrij om de rest van Walcheren te zuiveren en uiteindelijk de haven van Antwerpen te openen, wat een beslissend kantelpunt in de oorlog was.

Aan het einde van de oorlog, in april en mei 1945, werd Dirk van der Wal nog ingezet aan het front bij het Hollands Diep. Na de bevrijding ging hij naar de Stormschool in Bloemendaal waar hij werd bevorderd tot officier. In 1947 kreeg hij eervol ontslag uit het leger. Hij trouwde in uniform en ging aan de slag in een van de slagerijen van zijn schoonvader. Hoewel hij het burgerleven oppakte gaf hij later toe dat hij misschien beter beroepsmilitair had kunnen blijven. Uiteindelijk verhuisde hij met zijn vrouw naar de regio Leeds in Engeland. Daar kreeg hij een zoon en een dochter. Hij overleed in Thorner, Engeland op 15 juli 1983, precies één dag na zijn 66e verjaardag. Na zijn overlijden hoorde zijn dochter Jeanne dat haar vader het Bronzen Kruis, een onderscheiding voor getoonde moed, had ontvangen maar daar had hij thuis nooit over gesproken.

De mannen van No. 2 Dutch Troop, waaronder Van der Wal, legden de basis voor wat vandaag de dag het Korps Commandotroepen (KCT) van de Koninklijke Landmacht is. Van der Wal had een nuchtere, bijna fatalistische manier om met de constante dreiging om te gaan. Zijn persoonlijke lijfspreuk was: “Als er geen kogel is waar Dirk van der Wal op staat, hoef ik me geen zorgen te maken.”

Categorieën
Research

37FN40 Jean François “de Boxer” Simon

Jean François Simon werd geboren op 2 december 1919 in Tréglamus, een klein dorp in het departement Côtes-d’Armor in Bretagne. Na de val van Frankrijk in de vroege zomer van 1940 weigerde hij zich neer te leggen bij de bezetting door nazi-Duitsland. Op 2 september 1940 sloot hij zich in Engeland aan bij de Forces Navales Françaises Libres onder leiding van generaal de Gaulle. Hij kreeg hierbij het stamboeknummer 37FN40.

Simon behoorde tot de eerste kerngroep van vrijwilligers die later de basis zou vormen van de Franse commandoeenheid. In 1941 maakte hij al deel uit van de instructiecompagnie van luitenant Philippe Kieffer. Hij werd door kameraden omschreven als een robuuste man met een neus die deed denken aan die van een bokser, zo kreeg hij zijn bijnaam; Le Boxeur; Omdat hij tot de 17 mannen van het eerste uur behoorde kreeg hij het zeer lage commando badgenummer 6.

In april 1942 vertrok hij naar het befaamde Commando Basic Training Centre in Achnacarry in de Schotse Hooglanden, waar hij de zware training voltooide. Hiermee werd hij officieel ingedeeld bij Troop 1 van het pas opgerichte 1er Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC). Jean Simon groeide uit tot een ware steunpilaar van de eenheid en nam als “quartier-maître fusilier” (korporaal) deel aan vrijwel alle grote operaties van zijn bataljon gedurende de oorlog.

Hij was betrokken bij operatie Jubilee, de grote en bloedige raid op de Franse kustplaats Dieppe in augustus 1942. Jean Simon deed mee aan diverse levensgevaarlijke nachtelijke raids langs de Franse kust om de vijandelijke verdediging uit te proberen en te verkennen ter voorbereiding op D-Day.

De paar maanden voor D-day waren No.4 commando en No.10 (Inter-Allied) commando (o.a. de Fransen) ingekwartierd bij burgers in Bexhill-on-Sea.

Training en vertrek: In Bexhill hielden de troepen zich bezig met intensieve trainingen, parades en oefeningen met scherpe munitie. Op 25 mei 1944 verlieten ze de stad in stilte om naar de verzamelpunten in Southampton te gaan, waar ze werden geïsoleerd voor de definitieve oversteek naar Sword Beach op D-Day. 

Vlak voor D-day werd medegedeeld dat de commando’s een aantal dagen na de landing zouden worden afgelost, dat werden er uiteindelijk 82…Op de ochtend van 6 juni 1944, D-Day, landde Jean Simon met zijn eenheid op Sword Beach bij Colleville-sur-Orne. De Franse commando’s hadden als taak de versterkte bunkers in Ouistreham en het plaatselijke casino in te nemen. Hij overleefde de zware gevechten en vocht mee in de lange, bloedige Normandië-campagne, waaronder de verdediging van de beroemde Pegasusbrug .

Op 6 september verlieten ze Frankrijk en werden ze voor verlof naar camp Petworth in West Sussex gebracht waar ze drie weken mochten aansterken.

Daarna scheepten ze in richting Oostende en werden naar De Haan getransporteerd om zich voor te bereiden op operatie Infatuate I.

Vlak voor Infatuate I zijn de Franse commando’s van troop 1 en 8 ingelijfd bij No. 4 commando als 5 en 6 Troop. Op 1 november 1944 landde Jean Simon onder vijandelijk vuur op Uncle Beach bij de Oranjemolen in Vlissingen. Na de zware amfibische landing was Jean François Simon betrokken bij felle stadsgevechten om de stad huis voor huis en straat voor straat te bevrijden. Voor zijn standvastigheid en uitmuntende militaire gedrag tijdens operatie Infatuate I werd hij na de oorlog onderscheiden met de Médaille Militaire en de Croix de Guerre avec étoile de bronze.

Toekenning van de Médaille Militaire

De quartier-maître fusilier 1e klasse SIMON (Jean), van het 1e bataljon fusiliers-marins commandos: Sectiecommandant met een voorbeeldige moed en koelbloedigheid. Heeft tijdens de landing in Vlissingen op 1 november 1944 zijn sectie, deel van zijn eenheid, door de door de vijand bezette stad geleid naar de essentiële positie die hij moest behouden. Heeft deze positie in het begin vrijwel alleen standgehouden, geïsoleerd van de rest van zijn sectie tegenover een Duitse compagnie die in onze linies probeerde te infiltreren en heeft hen daarbij zware verliezen toegebracht. Nadat hij was ontzet,

is hij zijn positie nog 24 uur blijven verdedigen, waarbij hij alle vijandelijke tegenaanvallen heeft verijdeld. Heeft blijk gegeven van de allerhoogste morele en militaire kwaliteiten.

Hoewel hij vanaf de allereerste dag tot het bittere eind bij de commandos diende en voor de vrijheid van Frankrijk had gevochten, koos Jean Simon er na de oorlog voor om zich definitief in Engeland te vestigen. Hij trouwde daar met Hazel Weekes in Sussex in 1945 en werkte korte tijd in dienst van de Franse ambassadeur in Londen. Daarna stapte hij over naar een baan bij de Britse spoorwegmaatschappij, waarna hij zijn werkzame leven afsloot als werknemer op diverse boerderijen op het Engelse platteland.

Jean Simon overleed op 15 juli 1982 op 63-jarige leeftijd in Hastings, Engeland waar hij tevens begraven ligt.

De foto van Jean François Simon is gemaakt in september 1944 toen hij was ingekwartierd in de woning van de Pesketts in Bexhill, Engeland.

Categorieën
Nieuws

Inschrijving bevrijdingsloop 2026

De inschrijvingen voor de bevrijdingsloop 2026 staan open. De wandelaars kunnen weer een gratis bezoek brengen aan de bunker te Dishoek. Hoor de verhalen en zie de mooie collectie in de bunker. Ook de Oranjemolen is open vanuit het muZeeum, om de bevrijdingsfilms te bekijken en de bunker bij de Oranjemolen kan worden bezichtigd (niet gratis).

Het is nog vroeg natuurlijk maar we hopen dat jullie voor deze bijzondere dag van onze bevrijding zullen kiezen en de sportieve uitdaging aangaan met mooie prijzen voor de hardlopers en een herinnering voor iedere deelnemer.

Categorieën
Research

Guy de Montlaur

Guy vocht tijdens de Slag om Frankrijk (tussen september 1939 en juni 1940) en nam deel aan talloze raids over de grens in Duits Saarland. Hij landde op 6 juni 1944 in Normandië en vocht met het Franse 1er Bataillon de Fusiliers Marins onder bevel van commandant Philippe Kieffer, ingedeeld als luitenant bij het Britse 4e Commando. Om zich te kunnen aansluiten bij de Vrije Franse marinecommando’s (Commando Kieffer), stond hij zijn officiersstatus vrijwillig af. Hij kreeg eerst de rang van second-maître (een onderofficiersrang, vergelijkbaar met sergeant of kwartiermeester bij de marine). 

Met deze rang nam hij op 6 juni 1944 als sectieleider deel aan de landingen in Normandië (Hij wordt nog gespeeld in de film “the longest day” door de acteur George Rivière ).
In het verdere verloop van de strijd werd hij bevorderd tot officier, Enseigne de vaisseau de 2e classe (luitenant-ter-zee 3e klasse)
Op 1 november 1944,  tijdens de landing in Vlissingen, droeg hij de rang van Enseigne de vaisseau 1re classe (Luitenant-ter-zee der 2e klasse). De twee strepen (galons) op zijn schouder duiden hier op.

Het landingsvaartuig waar hij in zat werd getroffen door een Duitse granaat. De munitie achterin het vaartuig ontplofte en 3 commando’s waren op slag dood, Guy de Montlaur raakte gewond in zijn gezicht door granaatscherven. Het landingsvaartuig zonk en nog vier commando’s lieten het leven. De overgebleven commando’s klauterde naar de enorme antitankpalen die langs de stranden in de grond waren geslagen. Ze beklommen de palen en kwamen zo bij de Oranjemolen terecht. Zijn vriend, commando Guy Vourch die deze foto vlak daarna genomen heeft zei over zijn houding tijdens de landing: “Gewond, aan mijn zijde, weigerde hij zich te laten evacueren. Zijn moed grensde aan onbeschaamdheid. Hij was vernederend voor de vijand“. Guy ontving zeven onderscheidingen en het Légion d’honneur. 

Na de oorlog, en tot aan zijn dood, wijdde Guy de Montlaur zich aan zijn ware passie: schilderen. De fysieke en psychologische littekens van de oorlog hebben zijn werk diepgaand beïnvloed. De gezichtswonden die hij opliep lieten meerdere niet opereerbare granaatfragmenten achter in de buurt van zijn oog, wat hem de rest van zijn leven immense fysieke pijn en slapeloosheid bezorgde. Hij bracht zijn laatste jaren door in Normandië en kocht een huis vlakbij de stranden waar hij in 1944 was geland, om zich dichter bij de regio te voelen die hem zo had gevormd. Hij stierf op 10 augustus 1977 op 59-jarige leeftijd en koos ervoor om begraven te worden in Ranville, naast zijn gesneuvelde commando-kameraden.

By Guy de Montlaur (1918-1977) – Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=16946961
Categorieën
Nieuws

🔍 Vacature bestuurslid gezocht!

Wil jij bijdragen aan het levend houden van de verhalen uit de oorlogsjaren in Vlissingen?
Stichting Oorlogsjaren in Vlissingen zoekt een enthousiast bestuurslid met hart voor geschiedenis, herdenken en verbinden.
📍 Affiniteit met de maritieme sector? Dat is een mooie plus!
📩 Interesse? Mail naar: oorlogsjarenvlissingen@gmail.com

👉 Samen houden we de herinnering levend.

Categorieën
Research

PO/X110814 Patrick Samuel “Pat” Churchill

Patrick Churchill is geboren in Oxford op 29 maart 1924. Hij groeide op in Swinburne Road, Iffley, en na het verlaten van school op 14-jarige leeftijd ging hij werken bij Morris Motors voor het vervaardigen van onderdelen voor Hurricanes en Spitfires.
Hij had zijn zinnen gezet op het worden van een gevechtspiloot en in 1941 bood hij zich aan bij de RAF op 17-jarige leeftijd. Hoewel hij werd geaccepteerd na het passeren van de medische tests werd hij geïnformeerd dat hij zou moeten wachten tot hij 18 werd voordat hij werd opgeroepen. In plaats van dat af te wachten ging hij bij de Royal Marines. Na zes weken basistraining en verdere geavanceerde training, werd hij gedetacheerd bij de Mobile Naval Base Defence Organisation (MNBDO) gestationeerd in Zuid-Wales, als een instructeur in vliegtuigherkenning voor een zoeklichtbatterij.

User comments

Bezorgd dat de oorlog aan hem voorbij zou gaan bood hij zich aan voor de ‘Hazardous Service’ en werd gedetacheerd bij Royal Marine Armoured Support Group. Volgens eigen zeggen omdat “it sounded more exciting than peeling potatoes!”. Uitgerust met speciaal aangepaste Cromwell-tanks genaamd Centaurs Mk. IV was het de taak van deze eenheid om vuursteun te bieden aan de aanvalstroepen. Pat Churchill was pas 20 jaar oud toen de invasie van Normandië begon op 6 juni 1944. Tijdens de eerste golf landde hij op Juno Beach  en de tank waar Patrick in zat was de enige die het strand ongeschonden kon verlaten. Tegen het einde van de dag hadden ze zich zo’n 6 Kilometer landinwaarts gevochten.

Na een zware maand vechten in Normandië werd Patrick Churchill overgeplaatst naar No. 4 Commando dat deel uitmaakte van de 1st Special Service Brigade. Binnen deze brigade kreeg hij de functie van RM Signaller (radioman) en werd hij toegevoegd aan de Franse 6 Troop onder leiding van kapitein Philippe Kieffer. Op de vroege ochtend van 1 november 1944 landde Patrick Churchill met No. 4 Commando in de Vlissingse Slijkhaven. Als radioman moest Churchill de communicatie van de Franse troepen verzorgen. Zijn eenheid kreeg als taak om het cruciale kruispunt op het Betje Wolffplein in te nemen en te behouden zodat Duitse versterkingen de straten niet konden bereiken. Churchill en zijn kameraden kwamen muurvast te zitten. Zij moesten zich 24 uur lang verschansen in een hoekpand (toen drogisterij ‘De Vijzel’). Al die tijd lagen zij onder intensief vuur vanuit de beruchte Duitse Naereboutbunker en van vijandelijke sluipschutters die boven in de torenkranen van scheepswerf De Schelde zaten verborgen. Ondanks deze penibele situatie wist Patrick Churchill op zijn post te blijven, wat een belangrijke bijdrage leverde aan de succesvolle herovering van de stad.

De ervaringen tijdens de oorlog tekenden Patrick Churchill maar maakten hem geen verbitterd man. Hij sprak geregeld over de Duitse gesneuvelden die hij zag. Niet als ‘vijand’, maar als slachtoffers van een fatale oorlog waarbij hij vooral aan hun achtergebleven ouders dacht. Deze instelling van verzoening kwam ook tot uiting in de liefde. Hij trouwde met Karin, een vrouw uit het zwaar gebombardeerde Duitse Dresden. Zij was een begaafd beeldhouwster die onder meer een borstbeeld van Winston Churchill ontwierp dat later aan koningin Elizabeth II werd geschonken.
Ter ere van de 60ste verjaardag van D-Day in 2004 was Churchill een van de uitverkoren Britse veteranen die in het Franse Arromanches de Légion d’Honneur opgespeld kregen door president Jacques Chirac.
Hij heeft Vlissingen na de oorlog nog vaak bezocht ter herdenking. Zijn connectie met de havenstad en de kameraden die daar sneuvelden, onder wie zijn goede vriend William Harvey, bleef zijn hele leven ijzersterk. Op Uncle Beach in Vlissingen bevindt zich een herdenkingssteen met een gedicht van de hand van Pat Churchill om de zware strijd te memoreren. Pat Churchill stierf op 28 juni 2018 op 94-jarige leeftijd. Ter vervulling van zijn laatste wens is een deel van zijn as op 1 november 2018 over de Vlissingse Slijkhaven uitgestrooid waarmee hij voorgoed werd herenigd met de mannen die hij daar was kwijtgeraakt.

Pat was ook een niet onverdienstelijk dichter en heeft ons 2 mooie gedichten nagelaten. Het eerste gedicht heeft betrekking op de landing in Normandië en het 2e gedicht staat op de steen bij het betreden van Uncle Beach aan de landzijde.

Gedicht 1:
“The beach was quiet now, the battle done.
But in my mind, the fight had just begun.
I saw my mates again, so young and brave.
And heard the silent voices from the grave.
They gave their lives, for others to be free.
And that is why, I wish to stay by the sea.”

Gedicht 2:
Near this spot November 1944,
Commandes jumped ashore.
they did their task and did it well,
Commando no.4.

So stay awhile but spare a thought 
for thirty day’s before.

the dykes were breached and 
with it brought a deadly tide of war.

A warning given, it was said
but where were they to go?

A heavy price the innocent paid 
for the freedom today we know.

Categorieën
Research

3046681  Private John ‘Jack’ Stoddart – British Army, Royal Berkshire Regiment, 4 Commando, 1 Troop

Soldaat John Stoddart, door zijn familie Jack genoemd, werd geboren op 25 maart 1903 in Newcastle-upon-Tyne, Tyne and Wear, Engeland. Hij  meldde zich op 23 oktober 1920, op 17-jarige leeftijd, aan voor een diensttijd bij de Royal Scots (nr. 26333). Hij diende in India van 18 februari 1922 tot 10 april 1926. Hij werd op 22 oktober 1932 ontslagen uit militaire dienst waarna hij ging werken als mijnwerker in de Burghlee kolenmijn in Loanhead. Hij woonde bij zijn zus op 65 Dobbie’s Road in Bonnyrigg en bleef ongetrouwd.

Op 6 november 1939 meldde hij zich aan bij de Royal Scots Fusiliers TA (Territorial Army, vrijwillige reserve-eenheden van het gelijknamige Britse linie-infanterieregiment, voornamelijk gerekruteerd uit Zuidwest Schotland) en werd vervolgens overgeplaatst naar het Royal Berkshire Regiment. Daarna sloot hij zich aan bij No. 4 Commando en diende met hen in Noordwest-Europa. Als eind dertiger de loodzware Commando training voltooien en deelnemen aan een frontlinie operaties getuigt van een uitzonderlijke fysieke en mentale conditie. Hij was letterlijk de “oude rot” in zijn eenheid.

4 Commando, 1 Troop  vormde samen met 2 Troop de eerste aanvalsgolf in Vlissingen. Zij landden op 1 november 1944 om exact 05:45 uur (onder codenaam Keepforce) bij de Slijkhaven. Hun taak was cruciaal: het veiligstellen van een bruggenhoofd  zodat de rest van het commando en later de 155th Infantry Brigade veilig aan land konden komen. Terwijl ze de dijk bij de Oranjemolen overklommen, kwamen ze onder direct vuur te liggen van Duitse stellingen in de stad. 1 Troop kreeg de taak om de Duitse 75mm-geschutspositie bij de Oranjemolen uit te schakelen. Dit lukte vrij snel, ze verrasten 20 Duitse soldaten in hun bunker.

John Stoddart was lid van een machinegeweer sectie. Later op de dag, tijdens de opmars door de stad, komen ze onder zwaar vuur te liggen vanuit een mitrailleurnest op de tankmuur op doelwit “BEXHILL” (Betje Wolfplein). Vanuit de gebouwen aan het plein schieten Duitse schutters op alles wat beweegt. De locatie kreeg later de bijnamen “Hellfire corner” en “Crossroads”. Als de sectie onder dekking van een rookgordijn en ondersteunend Brenvuur is overgestoken blijkt dat men het statief voor het machinegeweer niet heeft meegenomen. Bij een poging dit statief op te halen wordt John Stoddart dodelijk geraakt door een sluipschutterkogel.

Zijn onderscheidingen waren: de 1939/45 Ster, de Franse en Duitse Ster, de Defence Medal en de War Medal 1939-1945.

Private John ‘Jack’ Stoddart werd aanvankelijk begraven in Dokhaven, 04-11-1944, nr 1. Op 2 mei 1946 werd hij met volledige militaire eer herbegraven naast zijn gevallen kameraden op het “Cross of Sacrifice”, Bergen-op-Zoom War Cemetery, Ruyvenshoveweg, Bergen op Zoom. (Grafreferentie: 15-A-11).

Categorieën
Research

837194 Gunner William Young ‘Bill’ Harvey British Army, Royal Artillery, 4 Commando, 3 Troop

William Young Harvey werd geboren in 1915 in North Shields, Tyne and Wear, Engeland. Hij kreeg onderwijs aan de Spring Gardens School. Voor het uitbreken van de oorlog werkte hij in de Scott’s Sweet Factory en later als mijnwerker in de Seghill Colliery.
Hij ontmoette zijn vrouw, Margaret, in Troon, Ayrshire, Schotland, waar ze trouwden en zich vestigden op Alderside Avenue 7. Samen kregen ze een zoon, die ook Bill werd genoemd.

Harvey sloot zich aanvankelijk aan bij het Territorial Army, waar hij zes jaar diende. Daarna meldde hij zich vrijwillig aan voor speciale dienst en voegde zich bij de elite No.4 Commandos dat was samengesteld uit vrijwilligers van verschillende Britse legeronderdelen, hierdoor behielden de militairen van de Royal Artillery vaak hun oorspronkelijke rangen (zoals Gunner) terwijl ze dienden als elitetroepen binnen specifieke eenheden zoals 3 Troop waarin Bill Harvey diende.

No. 4 Commando is opgericht in Juli 1940 in Weymouth, Engeland en de maanden daar na werden gebruikt om de manschappen te trainen. In oktober 1940 verplaatste de eenheid zich naar Schotland (onder andere Inveraray) voor zware fysieke en amfibische trainingen ter voorbereiding op kustaanvallen.

De eerste grote inzet was op 4 Maart 1941: Operation Claymore (Noorwegen). Samen met No. 3 Commando voerde No. 4 Commando een uiterst succesvolle overval uit op de door de Duitsers bezette Lofoten. Ze vernietigden visoliefabrieken (gebruikt voor de productie van explosieven), namen Duitse krijgsgevangenen en wisten geheime Enigma-codeboeken buit te maken.

Op 19 Augustus 1942 volgde Operation Jubilee (Dieppe, Frankrijk)
Tijdens de beruchte (en grotendeels bloedige) aanval op Dieppe, landde No. 4 Commando op de rechterflank bij Varengeville. Hun missie was het uitschakelen van de gevaarlijke Duitse kustbatterij ‘Hess’. De aanval was een schoolvoorbeeld van een commando-operatie en een van de weinige absolute successen van die dag.

6 Juni 1944: Operation Overlord (D-Day, Normandië)**
Als onderdeel van de 1st Special Service Brigade landde No. 4 Commando in de ochtend op *Sword Beach* (Queen Red sector). Hun doel was het veroveren van een Duitse vesting en kustbatterij in Ouistreham. Daarna stootten ze door het binnenland in om zich aan te sluiten bij de luchtlandingstroepen bij de Pegasusbrug en de heuvelrug bij Amfreville. Ze bleven hier tot september 1944 in zware strijd verwikkeld.

In September 1944 werd de eenheid teruggetrokken naar de Isle of Wight in Engeland om uit te rusten, te hergroeperen en nieuwe vrijwilligers op te leiden.

Op 1 November 1944 volgde Operation Infatuate I (Vlissingen, Nederland). Het openen van de haven van Antwerpen was van cruciaal belang voor de bevoorrading van de geallieerde opmars naar Duitsland. Om dit te bereiken moesten de geallieerden de zwaar verdedigde Scheldemonding zuiveren, die werd bewaakt door Duitse kustbatterijen op Walcheren. No. 4 Commando landde in de vroege ochtend bij het Slijkhaventje naast de Oranjemolen (Uncle Beach). 3 Troop kreeg de taak om snel naar hun eerste grote verzamelpunt en hoofddoelwit te trekken met de codenaam “BRAEMAR.” (Bellamypark). Ze rukten op door de stad via de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat maar de opmars stuitte op gedesorganiseerde, maar felle Duitse weerstand vanuit bunkers en mitrailleurnesten. Ze vochten zich letterlijk straat voor straat, huis voor huis, een weg door de binnenstad van Vlissingen. Bij deze straatgevechten sneuvelden diverse mannen van 3 Troop met een Royal Artillery-achtergrond. Bill Harvey kwam met zijn sectie uiteindelijk aan bij het einddoel, het Bellamypark. Aangezien oversteken risicovol was zei hij tegen zijn beste vriend en getuige bij zijn huwelijk Alex “Mac” MacAulay die ook in No. 4 Commando diende: “Laat mij maar eerst gaan. Ik heb een machinepistool, jij slechts een geweer”. Bij het oversteken van het Bellamypark werd Gunner Bill Harvey, 29 jaar oud, dodelijk getroffen door Duits mitrailleurvuur.

Gunner Harvey werd aanvankelijk begraven in Biervliet, achter de plaatselijke rooms-katholieke kerk. Op 5 juni 1946 werd hij met volledige militaire eer herbegraven naast zijn gevallen kameraden op het “Cross of Sacrifice”, Bergen-op-Zoom War Cemetery, Ruyvenshoveweg, Bergen op Zoom. (Grafreferentie: 19-B-6).
In Vlissingen wordt zijn naam herdacht op de “Uncle Beach” Roll of Honour aan de Oranjedijk. Bovendien bevindt zich op de hoek van de Nieuwstraat en het Bellamypark een plaquette die speciaal aan hem is gewijd, met de tekst: “Ter nagedachtenis aan de Schotse soldaat William ‘Bill’ Young Harvey, sneuvelde hier op 01-11-1944.”
Hij wordt ook herdacht op het Commando Memorial “Area of Remembrance”, Lochaber, Scottish Highlands, Scotland.

MacAulay overleefde de slag om Walcheren en de rest van de oorlog. Hij kreeg later de hartverscheurende taak om een brief te schrijven aan Margaret, bij wiens huwelijk hij als ‘best man’ naast Bill had gestaan, om haar te vertellen hoe haar man was gestorven.