Wanneer het in het begin van de oorlog duidelijk wordt dat Gerard voorlopig niet terug zal keren naar Vlissingen gaat Tine, dan 24 jaar, weer bij haar ouders wonen aan de Vrijdomweg 6 in Vlissingen zodat zij niet als alleenstaande vrouw verplicht geëvacueerd hoeft te worden bij haar familie vandaan. Haar meubels worden ergens in Vlissingen opgeslagen om pas zeven jaar later weer tevoorschijn te komen wanneer Tine en Gerard eindelijk weer eigen woonruimte hebben in de Scheldestraat 45 te Vlissingen.
In het begin van de oorlog ontvangt Tine nog een gedeelte van het salaris van Gerard. Zij koopt een spinnenwiel, gaat op Walcheren met de fiets de boer op om schapenvachten te kopen en verdient met het verkopen van de door haar gesponnen wol.
Vanaf oktober 1941 mogen de rederijen, dus ook de KNSM bij welke scheepvaartmaatschappij Gerard inmiddels stuurman is, van de Duitse bezetter geen gages meer betalen aan de echtgenoten en families van de zeevarenden die naar bezet gebied weigeren terug te keren. Een spontaan opgezet illegaal ondersteuningsfonds onder de schuilnaam ’Zeemanspot’ wordt opgericht. Of Tine ooit een beroep gedaan heeft op de zogeheten ’Zeemanspot’ is niet bekend.
Alexandre Lofi werd geboren op 21 februari 1917 in Dudweiler, gelegen in het destijds Duitse Saarland, waar zijn vader alsmijnwerker werkte. Na de Franse overwinning in 1918 keerde het gezin terug naar hun oorspronkelijke thuisbasis in L’Hôpital in het departement Moselle, dat weer Frans grondgebied was geworden. Hier bracht Alexandre Lofi zijn jeugd door en volgde hijbasisonderwijs.
Al op jonge leeftijd koos hij voor een leven op zee. In 1930, op 13-jarige leeftijd, trad hij toe tot de École des Pupilles de la Marine in Brest.
Op 1 april 1933 nam hij officieel dienst bij de Franse marine. Na verschillende inschepingen werd hij ingedeeld bij de fusiliers marins (mariniers). Hij klom gestaag op, in oktober 1935 werd hij Quartier-maître fusilier (kwartiermeester).
Toen Frankrijk in juni 1940 capituleerde weigerde Alexandre Lofi, inmiddels second-maître (onderofficier), militair instructeur en sportinstructeur aan de Marineschool in Brest, de wapenstilstand te accepteren. Hij wist naar Engeland te ontkomen en sloot zich op27 juni 1940 in de Olympia Hall in Londen aan bij de Vrije Franse Strijdkrachten (FFL, Forces Françaises Libres) van generaalCharles de Gaulle waar hij Philippe Kieffer ontmoette. Hij werd ingedeeld bij het 1e Bataillon de Fusiliers Marins (1e BFM). Met zijn eenheid vertrok hij in oktober 1940 naar Kameroen. Hier speelde hij een jaar lang een belangrijke rol in de kustverdediging van dit Afrikaanse gebied, dat zich bij de Vrije Fransen had aangesloten. Hij werd gepromoveerd tot officier des équipages en nam van november 1941 tot december 1942 deel met het pas opgerichte 2e BFM ter verdediging van de kusten van Libanon.
In juni 1943 meldde Alexandre Lofi zich als vrijwilliger voor het 1e Bataillon de Fusiliers Marins Commandos (1er BFMC), onder leiding van commandant Philippe Kieffer. Hij reisde terug naar Groot-Brittannië en trainde in de zware commandoopleidingskampen in Schotland. Het volledige Franse commandobataljon werd als “Troop 1” en “Troop 8” toegevoegd aan het Britse No. 10 (Inter-Allied) Commando, een geallieerde eenheid waarin buitenlandse vrijwilligers zaten die de talen van de geallieerde landen spraken
Op 6 juni 1944 (D-Day) landde Alexandre Lofi, aan het hoofd van Troop 8, ‘s ochtends vroeg op Sword Beach in Normandië, samen met No.4 commando. Zijn eenheid had als specifieke doelwit het zwaar verdedigde casino van Ouistreham, dat door de Duitsers was omgebouwd tot een bunkercomplex.
Onder leiding van Lofi werd het doelwit met succes ingenomen en werden veel vijandelijke soldaten krijgsgevangen gemaakt. Toen commandant Kieffer tijdens de gevechten gewond raakte, nam Alexandre Lofi met buitengewone koelbloedigheid het commando over het hele Franse bataljon op zich. Hij leidde zijn mannen in de cruciale weken na de landing, waaronder bij dezware verdediging van de Pegasusbrug over de rivier de Orne. Tijdens een nachtelijke aanval op een sterk verdedigde Duitsemortierstelling in de sector L’Épine op 20 augustus 1944, raakte Alexandre Lofi gewond door granaatscherven.
Na zijn herstel speelde Alexandre Lofi opnieuw een sleutelrol. Op 1 november 1944 nam hij als bevelvoerder van de Franse troop 5, inmiddels geïntegreerd in No. 4 commando, deel aan de amfibische landing bij Vlissingen, als onderdeel van Operatie Infatuate.De L.C.A. waar Alexandre Lofi in zat, samen met no.1 sectie, werd geraakt door flak granaten en machinegeweerkogels, de motor viel uit en het vaartuig botste tegen een pier. Na de landing zonk het landingsvaartuig.
Troop 5 trok de stad in, via de Oranjestraat, langs de Gravestraat richting de Sint Jacobskerk en vervolgens via het Bellamypark naar de barakken achter de gevangentoren, in de volksmond “de bomvrije” geheten. Er waren felle straatgevechten, huis tot huis, en er werden Duitse troepen gevangen genomen. Troop 5 splitste zich op de grote markt op om de barakken aan te vallen. No. 2 sectienaar de noordkant, Alexandre Lofi ging samen met no. 1 sectie naar de zuidkant.
Om 08:00 kreeg Troop 5 echter andere orders. 4 KOSB ging de barakken aanvallen, troop 5 moest door naar de bunker bovenaan de Coosje Buskenstraat, codenaam Dover.
No. 1 sectie ging via de Noordstraat en nam stelling in een huis op de hoek van Coosje Buskenstraat waar ze onder vuur kwamenvan een flak-vierling en machinegeweren bij de bunker op de Boulevard. No. 2 sectie ging via de Molenstraat en kwam bij de Paardenmarkt waar ze onder vuur kwamen te liggen van machinegeweren en sluipschutters. Om 12:30 kregen ze orders om terug tetrekken en hun posities te houden, de bunker zou bestookt worden door artillerie.
De volgende ochtend werd de aanval op de bunker hervat. Vanaf het dak van de bioskoop Alhambra werd met een PIAT (draagbaar anti-tankwapen) geprobeerd de Duitsers tot overgave te dwingen.
Beide secties, een aan elke kant van de Coosje Buskenstraat, baanden zich een weg door de huizen wat “mouseholing” werd genoemd. De bunker werd gebombardeerd door Typhoon vliegtuigen en bestookt met PIAT granaten. Aangekomen bij de anti-tankmuur bij de Boulevard werd besloten om de ingang van de bunker met een explosief te vernietigen, hiervoor zou een vrijwilliger voor de bunker langs moeten rennen om het explosief voor de ingang te gooien. Voordat dit plan zou worden uitgevoerd verscheen er echter een witte vlag. 3 officieren en 54 manschappen werden gevangen genomen.
Alexandre Lofi vocht de rest van de Nederlandse campagne uit en eindigde de oorlog in mei 1945 met de rang van Officier des Équipages de 1ère Classe.
Alexandre Lofi besloot na de oorlog in de marine te blijven en had een opmerkelijke naoorlogse carrière. Hij vervulde onder andere de volgende functies:
Directeur van de marinecommando-opleiding in Algiers
Directeur van het centrum voor fysieke educatie van de marine (1948-1952)
Hoofd van het Hoofdkwartier van de Maritieme Prefectuur in Toulon.
In 1960 werd hij technisch adviseur en sportofficier bij de chef van de marinestaf in Parijs.
Hij ging uiteindelijk in 1970 met pensioen als Officier en Chef des Équipages (een rang vergelijkbaar met kapitein-luitenant terzee/commandant). Alexandre Lofi overleed op 75-jarige leeftijd op 7 maart 1992 in Cuers, departement Var, waar hij ook begraven ligt. In L’Hôpital is een plein naar hem vernoemd, waar tevens een monument ter nagedachtenis aan hem is opgericht. In 2024 is een monument geplaatst in Ouistreham. Voor zijn immense moed en leiderschap ontving Alexandre Lofi enkele van de hoogste militaire onderscheidingen uit zowel Frankrijk als het Verenigd Koninkrijk:
Compagnon de la Libération (de hoogste en zeldzaamste onderscheiding die Frankrijk kent, persoonlijk door De Gaulle uitgereikt op 17 november 1945)
Officier de la Légion d’Honneur (Legioen van Eer)
Commandeur de l’Ordre National du Mérite
Croix de Guerre 1939-1945 (met 3 palmen/vermeldingen)
British Army, Devonshire Regiment, 4 Commando, 3 Troop
Pierre Laux werd op 16 juni 1918 geboren in de gemeente Kayl, in het zuiden van Luxemburg. Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en Luxemburg in mei 1940 door nazi-Duitsland werd binnengevallen, ontvluchte hij zijn vaderland en sloot zich aan bij het Franse Vreemdelingenlegioen in Marokko.
In 1942 wist Pierre Laux zijn weg te vinden naar Londen. Hij ging in dienst bij het Britse leger en kreeg het servicenummer 13807764. Hij werd in eerste instantie ingedeeld bij het Devonshire Regiment, maar meldde zich al snel aan als vrijwilliger bij de elitetroepen: de British Commandos. Hij werd ingedeeld bij het befaamde No. 4 Commando.
Tijdens zijn verblijf in Groot-Brittannië trouwde hij met Hilda Laux, afkomstig uit Astley Bridge, een wijk in Bolton, Lancashire.
Pierre Laux behoorde tot de troepen die geschiedenis schreven op D-Day.
Op 6 juni 1944 landde hij met No. 4 Commando op Sword Beach in Normandië. De commando eenheid stond destijds onder bevel van de legendarische Lord Lovat en vocht samen met de Franse commando’s van Kieffer. Pierre Laux vocht mee in de zware strijd om de kuststad Ouistreham te bevrijden en overleefde de daaropvolgende, meedogenloze Slag om Normandië. 4 Commando keerde op 7 September terug naar Engeland.
Na 3 weken herstel en versterken vertrok 4 Commando naar Oostende en vervolgens naar het 8 dagen eerder bevrijde De Haan om mee te gaan doen met Operation Infatuate. Eerst moest Breskens bevrijd en gezuiverd worden, pas dan kon de aanval op Walcheren beginnen. Op 22 oktober was Breskens in geallieerde handen. Bij de dagelijkse oefeningen werden de commando’s vertrouwd gemaakt met de plattegrond van Vlissingen, die is opgedeeld in kleine sectoren, welke Engelse namen dragen zoals Dover, Bexhill, Eastbourne, Seaford, Brighton.
De voorbereidingen verliepen zo snel dat de commandant van het 4e Commando aan Pierre Laux en twee andere Luxemburgse commando’s, Jean en Antoine Neven, op 28 oktober een jeep en een Engelse chauffeur ter beschikking stelde en hun drie dagen verlof gaf zodat ze even naar huis konden.
Op 31 oktober verplaatste 4 Commando zich naar Breskens. De volgende nacht om 2 uur werden ze gewekt en om half 5 vertrokken de eerste landingsvaartuigen onder geallieerd spervuur richting Vlissingen. In de vroege ochtend van 1 november 1944 landde No. 4 Commando in de slijkhaven van Vlissingen. Pierre Laux zat in de derde landingsgolf en kwam aan om 06:30 onder hevig vuur van machinegeweren van FALMOUTH en 20mm kanonnen van BRIGHTON. 3 Troop (waar Laux deel van uitmaakte) was als eerste van het bruggenhoofd af en kreeg de taak om zo snel mogelijk op te rukken naar hun eerste doelwit, BRAEMAR (het Bellamypark).
De afstand tussen de landingsplaats en BRAEMAR werd snel afgelegd, via de Wilhelminastraat en de Nieuwstraat omdat een Duitse pillbox met machinegeweer bij het Bellamypark de Nieuwendijk onder vuur nam. Het Bellamypark werd bereikt bij het eerste licht, 07:00 uur. Gunner Bill Harvey werd dodelijk getroffen toen hij vanuit de Nieuwstraat het Bellamypark wilde oversteken. Verder oprukken werd sterk belemmerd door Duitse stellingen op het Keizersbolwerk en pillboxen in de omgeving van het Bellamypark. Verschillende pillboxen en machinegeweerstellingen werden omzeild met uitzondering van één pillbox in de buurt van BRAEMAR.
Een aanvalsgroep van C-subsectie onder leiding van Sergeant Jackson werd losgemaakt van 3 Troop om dit mitrailleursnest uit te schakelen. Tijdens deze gevaarlijke frontale aanval op de bunker werd Private Pierre Laux bij de ingang van de stelling dodelijk getroffen.
Pierre Laux stierf als een van de vele helden tijdens de Slag om de Schelde. Hij was op dat moment 26 jaar oud. Vandaag de dag rust hij op het Bergen op Zoom War Cemetery, te midden van zijn strijdmakkers die eveneens hun leven gaven voor de bevrijding van Vlissingen.
Zijn naam is aangebracht op de Roll of Honour aan de muur van de Oranjedijk.
“Each name is a cry for peace” , Elke naam is een schreeuw om vrede.