Each name is a cry for peace


Vlissingen is in Nederland een van de zwaarst getroffen steden, niet alleen bij incidentele acties maar gedurende alle oorlogsjaren. Velen verloren het leven bij bombardementen in de bezettingsjaren en bij de strijd om Walcheren met Vlissingen als brandpunt.

De stichting Oorlogsjaren in Vlissingen wil het oorlogsverleden niet alleen in herinnering brengen als eerbetoon aan hen die vielen, maar vooral als waarschuwing voor het verloren gaan van vrede!

Daarom voert zij als motto:
'Elke naam is een schreeuw om vrede / Each name is a cry for peace'.

logo vlissingen

Verzet in Vlissingen



Verzet in Vlissingen tijdens de oorlogsjaren 1940-1944 (samenvatting)

Ook de Vlissingers hebben zich verzet tegen de Duitse bezetters. Daarover heeft een van de verzetsstrijders, W. Poppe, zijn indrukken, herinneringen en belevenissen beschreven. Hij heeft dit verslag opgedragen aan burgemeester mr. Benjamin Kolff in juli 1967.
Dat is een hele tijd na de oorlog en het is bekend dat we ons feiten niet altijd even correct herinneren. Een medestrijder, zijn latere schoonzoon J.P. van Alten, heeft daarom een commentaar op dit verslag geschreven, ook jaren na dato, maar die had reeds eerder een en ander op schrift vastgelegd.
Willem Poppe werd na de oorlog wethouder in Vlissingen tot 1966. Hij was melkhandelaar. Het verslag getuigt er overigens van dat iemand met weinig opleiding in die tijd wel degelijk aardig kon schrijven. Hier en daar een merkwaardige spelfout bij vreemde woorden, maar alle werkwoorden keurig qua d’tjes en t’tjes. En af en toe een typefout, want het verhaal is keurig getypt.
Het is verre van volledig voor het verzet in Vlissingen: het bedoelt alleen de eigen ervaringen weer te geven.

Hij beschrijft het ontstaan van het verzet in Vlissingen: geboren uit nood om vluchtelingen, verzetsmensen en mannen die niet (verplicht) in Duitsland wilden werken van de nodige levensbehoeften te voorzien. Deze mensen ‘doken onder’: verdwenen uit het openbare leven. Maar die moesten geholpen worden aan bonkaarten en onderduikadressen. Men kon alleen levensmiddelen kopen onder overlegging van bonnen, verschaft door de afdeling bevolking van de gemeente. Dus moesten er bonkaarten worden vervalst en ‘Ausweisen’: een soort pas, met toestemming om te reizen. Met name de verzetsmensen moesten dat af en toe voor de landelijke contacten en de verspreiding van illegale krantjes.
De kosten kon men in Vlissingen de hele oorlog door zelf bestrijden door ‘crowdfunding’: via vertrouwensmensen bij de Politie, PTT, de PZEM, de Gasfabriek, KM De Schelde, Waterleiding, Stadhuis kwam er geld binnen. Vraag niet hoe dat kon. Ook die vertrouwenspersonen mag men waarderen om hún ‘verzet’ (bladzijde 18 van het verslag van Poppe, zie voor de verwijzing ernaar: onder deze tekst).
De jongste bediende op het stadhuis, de gemeentebode Bert Luitwieler, kon heel goed handtekeningen namaken. Hij kon goed met de oorlogsburgemeester overweg: ze mochten elkaar eigenlijk wel. Een soort vader-zoon -relatie. Maar de vervalsing kwam toch een keer aan het licht. Daar moest natuurlijk een maatregel tegen overstaan: gaan spitten (werken aan de Atlantikwall) en de geldelijke beloning afstaan af staan aan de Duitse Winterhulp.
Er ontstond zelfs een landelijke organisatie voor de LO, in het verslag toegelicht op bladzijde 8 en volgende.

Om tegenwicht te bieden aan de Duitse oorlogspropaganda gaf men ook een krantje uit met daarin het nieuws van Radio Oranje. Dat was een zender vanuit Engeland met bemoedigende toespraken van koningin Wilhelmina, die echter alleen clandestien door enkelen beluisterd kon worden, wegens de verplichte inlevering van radiotoestellen.
Daardoor kwam de Vlissingse verzetsgroep in contact met Jan van Alten, een Vlissingse rechtenstudent die zich beijverde voor de verspreiding van het illegale blad Trouw (bladzijde 11 en volgende). Jan is na de oorlog met een dochter van Poppe getrouwd.
De politiecommandant van de Vlissingse politie, Adolf Gasinjet, had Duitse sympathieën al was hij geen lid van de NSB. Maar er waren veel politieagenten die sympathiseerden met het verzet. Poppe maakt er herhaaldelijk melding van. Ze leverden een belangrijke bijdrage in de laatste oorlogsdagen.

Ook op het gemeentehuis werd aan bonkaartenvervalsing gewerkt. Dit vermeldt Poppe pas als er samenwerking tussen beide groepen is ontstaan (vanaf bladzijde 14). Arie Lokker, hoofd afdeling bevolking, Ireen Doornbosch, archivaris, en Theo Andriessen, afdeling bevolking, kwamen bijeen in het huis van Adriaan van Dijk, gemeenteontvanger (financiën), nota bene gelegen tegenover de woning van de NSB-burgemeester. Dit vermeldt Poppe niet. Bert Luitwieler nam hier niet aan deel, maar had contact met de Poppe.

Wel beschrijft Poppe uitvoerig de overval op het gemeentehuis van Sint-Laurens om bonkaarten te bemachtigen (bladzijde 14 en 15). Hij spelt overigens ‘Irene Dorenbosch’ en stelt dat ze bibliothecaresse is in Vlissingen. Dat is onjuist, de bibliothecaresse in die tijd was de bekende schrijfster Annie M.G. Schmidt.
De overval heeft tot gevolg dat Arie en Ireen moeten onderduiken, Ireen loopt daardoor difteritis op, waaraan ze sterft (er was geen entstof in de oorlog!)

Poppe vermeldt het verdere lot van de familie Lokker niet. Omdat Arie is ondergedoken, wordt zijn vrouw in het concentratiekamp Vught geïnterneerd. Gelukkig overleeft ze het.
Evenmin maakt Poppe gewag van een ludieke verzet in Vlissingen: het kwijt maken van de officiële burgemeestersketting door hierboven genoemde ambtenaren.
Het ludieke verzet kwam nadat er een plaatsvervanger was benoemd voor de toenmalige burgemeester, Carel van Woelderen, (gevangen gezet, later vrij gekomen en ondergedoken). Hierdoor moest voor de nieuwe NSB-burgemeester Piet Callenfels, een nieuwe ketting worden aangeschaft. De bevolking was er heilig van overtuigd dat dit nooit een echte zilveren ketting met dito penning kon zijn, dus kreeg Callenfels de bijnaam: ‘Piet Surrogaat’ (wel genoemd in het verslag, maar niet met deze verklaring).

Verzetsmensen waren er zeer beducht voor als een collega door de Duitsers in de kraag werd gevat: die kon bij het beruchte scherpe SD-, of zelfs SS-verhoor doorslaan en namen noemen. Daarom had men zo weinig mogelijk directe contacten en wist men zo weinig mogelijk namen.

Daardoor is het werk van Jan Weug (later directeur van K.M. De Schelde) niet vermeld in het verslag. Diens contacten liepen over andere personen. Hij deed ook ander werk: namelijk tekeningen maken van bunkers en hun positie. Die gaf hij via zijn directe contactpersoon door aan de Engelsen. Hoe die ze naar Engeland wist te krijgen was hem niet bekend.
Hij heeft zelf een beschrijving gegeven hoe hij dat voor elkaar kreeg. Hij ging ergens zitten met een schetsboek met daarover een vel waarop hij bijvoorbeeld een kerkgezicht schetste. Duitse soldaten, die natuurlijk kwamen controleren wat hij deed, bewonderden zijn aardige tekenstijl en zagen niet wat er letterlijk en figuurlijk onder lag. Jan Weug is nooit betrapt.

Een andere vorm van verzet: gewoon doorlopen als je het bevel krijgt stil te staan, komt evenmin voor in het verslag Poppe. Het betreft Lodewijk Mieremet, die dit met de dood moest bekopen.
Lodewijk ligt met Ireen op het ereveld van de Noordelijke Begraafplaats in Vlissingen.

Ook met deze aanvullingen is het onderwerp ‘Verzet in Vlissingen ‘zeker niet volledig.

De verwarring die zich van de bevolking meester maakte, maar ook de hoop op bevrijding bij alle ellende wordt beschreven op bladzijde 26 en volgende: vanaf Dolle Dinsdag op 5 september 1944 en de daarop gevolgde inundatie (overstroming) van Walcheren tot de landing bij Uncle Beach in de nacht van 31 oktober op 1 november. Al dan niet toevallig te associëren met de oorspronkelijke ‘Halloween’- spokennacht.

Tenslotte volgt een weergave van de acties van de verzetsmensen, die zich op 31 oktober bewapenden en zich voorbereidden op actieve deelname aan de straatgevechten die volgden op de landing door de geallieerden.
Dat is een uiterst spannend verhaal geworden dat Poppe intensief beschrijft. Deze gevechten waren uitzonderlijk hevig (bladzijde 36-slot).
Het is treffend te lezen dat voor de Duitsers ‘de stad vol zat met partisanen’, terwijl het toch maar ging om zes verzetsmensen die zich snel wisten te verplaatsen en doelgericht acties ondernamen (bladzijde 43).

Het verslag besluit met een bijlage met namen van verzetsmensen.
Ina Herbers, november 2017

Lees verder in de volledige pdf