Each name is a cry for peace


Vlissingen is in Nederland een van de zwaarst getroffen steden, niet alleen bij incidentele acties maar gedurende alle oorlogsjaren. Velen verloren het leven bij bombardementen in de bezettingsjaren en bij de strijd om Walcheren met Vlissingen als brandpunt.

De stichting Oorlogsjaren in Vlissingen wil het oorlogsverleden niet alleen in herinnering brengen als eerbetoon aan hen die vielen, maar vooral als waarschuwing voor het verloren gaan van vrede!

Daarom voert zij als motto:
'Elke naam is een schreeuw om vrede / Each name is a cry for peace'.

logo vlissingen

In gesprek met iemand die de bevrijders van Walcheren al jaren steunt in hun herdenking: Léon DeWitte

Zijn jeugd werd doorspekt met verhalen over de beide wereldoorlogen, wat tot belangstelling voor geschiedenis leidde, met een anti-Duits accent. Vooral door de verhalen van de Vlaamse opa over Wereldoorlog I: de Grote Oorlog, waarin Duitsers, toen nog uit het keizerrijk, zich in België bijzonder gehaat wisten te maken door massale moord en plundering, door veroorzaken van angst, honger en gebrek. Die opa was een van de vele Belgische vluchtelingen in WO I.
De Nederlandse opa had in Vlissingen gewoond. Dat was uit diens verhalen bekend toen vader Dewitte ernaar werd overgeplaatst eind jaren 40.
Léon volgde lager onderwijs in Vlissingen, middelbaar in Goes en het vak geschiedenis bleek hem zo goed te liggen, ook in de cijfers, dat hij geschiedenis ging studeren: eerst de middelbare akte, daarna doctoraal in Nijmegen. Hij studeerde af in hedendaagse geschiedenis en werd leraar in Middelburg, aan het Stedelijk Gymnasium, de Rijks-HBS en de Rijkskweekschool.

Zijn belangstelling voor de beide wereldoorlogen en de herdenkingen ervan was verder toegenomen. Hij bezocht er vele in Nederland en België. Ook die in Engeland, Canada en Frankrijk hadden zijn belangstelling.
In de jaren 80 van de vorige eeuw vroegen Britse veteranen en hun Britse ondersteuners hem te helpen met de herdenking van de bevrijding van Westkapelle en hij zegde toe. Maar hij wilde dit niet als privépersoon doen, hij wilde er een organisatie achter. Dus richtte hij met Wim Kievit, voormalig brandweercommandant, afkomstig uit Middelburg, en Reg Quick, Brits veteraan, een stichting op: ’Steun bevrijders Walcheren 1-8 november 1944’. Daarbij sloten zich andere Walcherse steden en dorpen met een herdenkingstraditie aan: Domburg, Arnemuiden (Het Sloe) en het Vlissings Comité met Hans Koeman. Ook een aantal militairen was van de partij.

Jaarlijks van 1 tot 8 november regelde de stichting de herdenkingen op Walcheren. De kosten werden gedragen door de drie Walcherse gemeenten en de Provincie Zeeland. De Provincie nam het meeste voor haar rekening, de steden Middelburg en Vlissingen ieder daarvan de helft en de gemeente Veere een derde. Hiermee werden onderdak en maaltijden verzorgd voor de genodigden, vervoer naar de diverse herdenkingen op Walcheren en naar de oorlogsbegraafplaats te Bergen op Zoom. Overige kosten van organisatie en dergelijke werden grotendeels door de vrijwilligers opgebracht. Waarvan de tijd die ze erin staken het meeste bedroeg.
Dit werd onderkend door degenen voor wie men het deed: Engelsen, Canadezen, Schotten, Noren, Fransen. Ook de Nederlandse regering. Die gaven blijk van hun waardering hiervoor in de vorm van onderscheidingen. Ze hadden scherp in de gaten wie van de vrijwilligers in eigen tijd en op eigen kosten het werk deden of in die van de baas (veel ambtenaren, waarvan alleen enkelen - de ware vrijwilligers - na hun pensioen zijn doorgegaan).
Léon zelf kreeg er heel wat, maar wist er ook voor anderen in de wacht te slepen. Ze doen hem zichtbaar genoegen. Al zijn alleen de plakkaten, lintjes en papieren er het zichtbare bewijs van, deze in geld weinig kostbare vorm van waardering spreekt hem bijzonder aan door de onbetaalbare gedachte erachter.
Hij maakt nog altijd met genoegen veel werk van de herdenkingen. In 2018 organiseert hij voor de nabestaanden van de veteranen nog die op Walcheren (in het kielzog van die in Vlaanderen: 100 jaar einde Grote Oorlog). In dit najaar gaat hij (natuurlijk op eigen kosten) naar Montreal om kinderen en kleinkinderen door hem ontworpen certificaten te overhandigen, waaruit ze kunnen afleiden wie het graf van hun dierbare gesneuvelde in Adegem (Oost-Vlaanderen) heeft geadopteerd om te bezoeken en er bloemen op te leggen. Zo kan een gruwelijke oorlog toch weer banden smeden om de wereld en daar is het Léon uiteindelijk om begonnen.
Het organiseren ging zo door tot de veteranen bijna allen heel ‘simply’ waren ‘vade away’ en met hen hun oorspronkelijke Walcherse ondersteuners, zodat alleen Léon en Hans Koeman in de stichting waren overgebleven.
In Westkapelle was inmiddels het Polderhuis tot stand gekomen, het Dijk- en Oorlogsmuseum, met veel enthousiaste vrijwilligers, die niet alleen in de bijeengebrachte spullen, maar vooral ook in hun historie geïnteresseerd zijn, in ‘wat er is gebeurd’. Het nam de herdenkingen als vanzelfsprekend op zich en vroeg Léon te helpen met organisatie en opzet, hetgeen hij deed.
Ook in Nieuwdorp was een museum ingericht, het Bevrijdingsmuseum, waarin veel oorlogsmaterieel was bijeengebracht.
De provincie wilde – in het kader van de bezuinigingen - alleen nog maar om de vijf jaar de herdenkingen financieren, aangezien de veteranen bijna allen waren uitgestorven en het allemaal toch lang genoeg geleden was. Dit staat voor Léon in schril contrast met de manier van herdenken in Vlaanderen, zoals in Ieper, waar men na honderd jaar nog elke dag de gevallenen herdenkt.
Het provinciaal herdenken werd echter niet langer als een algemeen belang gezien, maar geprivatiseerd. Men wenste ook niet samen te werken met de vrijwilligers, maar besteedde de organisatie uit aan het museum in Nieuwdorp. Daar was een oud-marine commandant als vrijwilliger werkzaam en die nam de coördinatie op zich. Het museum ontvangt subsidie van het VSB-fonds, een landelijke organisatie ter ondersteuning van herdenkingen, om die in Zeeland over de herdenkers te verdelen en het ministerie van Defensie doet ook wel eens iets voor dat museum (militair materieel vervoeren en dergelijke). Hierdoor hoeven de gemeenten ook minder bij te dragen
De provincie heeft, net als Westkapelle, Léon wel gevraagd ‘om mee te denken’. Het verschil met dat westelijkste stadje van ons land is, dat de provincie vervolgens niets meer van zich liet horen.
Westkapelle trekt zich niets aan van een provinciale coördinatie. Het organiseert en financiert de jaarlijkse herdenking zelf op de historische datum (lijkt het daarin een beetje op Vlaanderen?)

Léon vindt het wat wrang, als iets, dat je jarenlang tot tevredenheid van alle buitenlandse betrokkenen hebt georganiseerd, je zonder meer uit handen wordt genomen.
Natuurlijk moeten jongeren het overnemen. Maar waarom zouden die niet profiteren van vele jaren ervaring en de waardering daarvoor vanuit het buitenland?